is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Vereeniging voor vrouwenrechten in Nederlandsch-Indië, jrg 9, 1934-1935, no 12, 01-11-1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de onbillijkheid om een ambtenares, die voor haar pensioen gecontribueerd heeft, — afgezien van het geval Bonte — te ontslaan, zonder eeonig recht op pensioen, of terugbetaling der gestorte pensioenbijdragen, ongeacht of die bijdragen slechts ƒ 400.— bedragen of minder of meer.

Het gaat hier om het principe, dat op een onbillijke basis is gebouwd.

Kendal.

S. v. O. B.

WERK ONDER MEISJES

Onder dit opschrift schreef Mej. C. H. C. Gunning, die inmiddels reeds repatrieerde, het een en ander over haar werk hier in Indië onder de Meisjes en Jonge Vrouwen, in het Jeugdnummer van het Algemeen Protestantsch Kerkblad van 12 Sept. j.1.

Mejuffrouw Gunning, voor velen onzer hier te Weltevreden geen onbekende, was vanaf November 1929 Secretaresse voor Ned.-Indië van de Internationale Vereeniging der Christen Jonge Vrouwen Federatie.

In deze functie is zij, na haar vertrek naar Europa, opgevolgd door Mejuffrouw Mr. A. L. Fransz.

Deze Wereldbond van Christen Jonge Vrouwen-Vereenigingen (Y. W. C. A.) heeft ten doel speciaal het vereenigingsleven van de vrouwelijke jeugd en het werk onder meisjes en vrouwen te behartigen, en Mejuffrouw Gunning vertelt nu in haar artikel over dit werk hoe het, grootendeels onder haar leiding, hier in Indië veld heeft gewonnen en met welke groote moeilijkheden men eerst te kampen heeft gehad.

In 1927 zond een commissie van voorbereiding voor het werk der Wereldbond een circulaire aan onderwijzers, zendelingen, predikanten en sociale werkers.

In deze circulaire werden vragen gesteld over de toen heerschende toestanden en het werk, dat er reeds in deze richting gedaan werd en in welke richting men dacht, dat het werk voortgezet zou moeten worden en uitgebreid. Men suggereerde voortgezet onderwijs, huishoudonderwüs, cursussen, clubs, wijkwerk, evangelisatie, colportage en lectuur-voorziening. De drijfveer tot het stellen

van deze uitvoerige vragen was hetgeen was voorgevallen in 1914, op de vergadering van den Wereldbond van Christen Jonge Vrouwen Vereeniginr gen te Stokholm. Men had toen aan de Hollandsche afgevaardigden gevraagd, waarom zij geen werk op Java deden. Ja, waarom niet ? Men vroeg toen het advies van iemand, die Indië kende, maar hij ontraadde er mee te beginnen, omdat, naar zijn meening, Indië dit soort werk niet noodig had, want in Indië waren geen „meisjes".

En hij had toen gelijk, want in dien tijd trouwden de meisjes, zelfs op de Europeesche scholen, uit de hoogste klasse en dikwijls ook al uit een lagere. En de meisjes voor wie nog geen schoolgaan bestond, trouwden nog jonger.

Van kind thuis bij de oudere werd men ondergeschikte in het huis van den echtgenoot. Er waren geen „meisjes !" Hoe zou men „meisjeswerk" kunnen doen ? !

Er was daarna evenwel reeds spoedig een kentering gekomen, die hoe langer hoe meer merkbaar werd, deels komende uit de wil van het volk zelf, deels door aanmoediging van hen, die het goede met de menschen voor hadden en hen vooruit wilden helpen. Al spoedig werd het velen duidelijk, dat er dringend speciaal werk onder de meisjes noodig was, om haar tot goede echtgenooten, die haar man in alles kunnen bijstaan en goede huisvrouwen te doen opgroeien en ontwikkelen.

Jeugdwerk voor meisjes is in Indië begonnen als naaikransje. Op deze kransjes werd bijna altijd voorgelezen, niet alleen om de aantrekkelijkheid te verhoogen, want de meisjes, die weinig afwisseling hadden in haar leven, kwamen graag genoeg, maar meer nog om haar aan het zelfstandig denken te brengen en haar zich haar eigen plaats in de maatschappij bewust te maken.

Zeer remmend werkt hierop de ondergeschikte positie van de vrouw in de maatschappij en met name hier in de Indische samenleving. Haar besef van eigen persoonlijkheid en van eigen persoonlijke verantwoordelijkheid wordt doelbewust niet ontwikkeld en is dan ook vaak bedroevend klein.

Deze houding is in hooge mate besmettelijk.