is toegevoegd aan je favorieten.

Maandblad van de Nederlandsch-Indische vereeniging voor vrouwenbelangen en gelijk staatsburgerschap, jrg 10, 1938, no 1, 01-01-1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vatte herziening spoedig haar beslag moge krijgen.

Voorzoover dit uit de verslagen in de groote Nederlandsche dagbladen valt af te leiden, hebben blijkbaar ook de Kamerleden, die voorstander of voorstandster van een verdergaande herziening van het huwelijksvermogensrecht zijn, voorloopig met deze Ministerieele toezegging genoegen genomen. Blijkens de krantenverslagen toch zijn bij de mondelinge behandeling van de Justitie-begrooting aan dit vraagstuk geen nadere beschouwingen gewijd.

L.H.G. H.-C.

EEN OORDEEL OVER DE VROUW VAN EEN GEREFORMEERD MAN.

De Gereformeerde vrouwen hebben een bedrag van Drie Ton bijeengebracht voor de Vrije Universiteit te Amsterdam; werkelijk geen geringe prestatie! Terecht werden zij daarvoor, ter gelegenheid van den Herdenkingsdag van Dr. Abraham Kuyper, van alle kanten hartelijk gehuldigd.

De oud-minister van Financiën, Mr. S. de Vries Czn., president-curator van de Vrije Universiteit, knoopt aan de woorden van dank, die hij richt tot de Gereformeerde vrouwen, eenige beschouwingen vast over de positie van de vrouw, die wel waard zijn hier eens onder de loupe genomen te worden, voornamelijk omdat zij zoo hemelsbreed afwijken van de opvattingen, die wij op dit punt toegedaan zijn.

Het zijn natuurlijk de gewone opmerkingen, die we van dien kant gewend zijn. Exc. De Vries betoogt, dat de vrouw een hulpe moet zijn voor den man en meer niet; dat zij zich niet moet laten wijsmaken, dat zij volkomen gelijkwaardig is met den man; dat zij geen betrekkingen moet trachten te veroveren, die uitsluitend bestemd zijn voor den man (ha, hier komt de aap uit de mouw! — Wie maakt eigenlijk uit, welke betrekkingen speciaal voor den man bestemd zijn?), enz. enz. enz.

Och, och, is het niet alsof men in vergeelde perkamenten bladert, als men kennis neemt van dergelijke opvattingen en argumenten, die zoo honderden malen weerlegd en ontzenuwd zyn en die de practijk van het leven toch

reeds, zij het dan ook gedeeltelijk, achter zich gelaten heeft ?

Zou de geachte spreker nu werkelijk niets goeds in de Vrouwenbeweging kunnen zien? Zou hij in het geheel niet beseffen, dat het nuttig is voor het karakter van de vrouw, om op eigen beenen te leeren staan en zich zelf een weg te leeren banen door het leven ? Dat juist specifieke karakterfouten van de vrouw toe te schrijven zijn aan het feit, dat zij in vroeger jaren steeds op het tweede plan heeft moeten staan en dat zij in alles ondergeschikt was aan den man, die toch ook niet feilloos is ? Dat het aan den anderen kant ook niet opvoedend werkt op den man om hem van jongsaf aan te behandelen als een wezen, dat superieur is aan de vrouw ? Dat daardoor weer specifiek mannelijke karakterfouten in de hand worden gewerkt ? Het zijn sterke beenen, die een machtspositie bij voortduring met waardigheid dragen! Dat beiden hooger zullen stijgen, als zij naast elkander voortgaan, elkaar aanvullend en verbeterend, terwijl beiden trachten elkander tot hulp en steun te zijn ?

Het is natuurlijk mogelijk, dat men van Gereformeerde zijde de Vrouwenbeweging in haar geheel beschouwt als een der zeven plagen van Egypte. Maar dan zijn er ook niet zooveel doekjes voor het bloeden noodig, als Exc. de Vries gebruikt, bijv. waar hij beweert, dat de Gereformeerde huisvaders hunne vrouwen niet minder liefhebben, achten en vereeren als andersdenkenden (al houden zij die vrouwen dan ook wat kort!) — dan zou ik maar ronduit gezegd hebben: De Vrouwenbeweging ? Onzin ! Al dat geleer van de vrouwen dient nergens toe. Een vrouw moet een goede huishoudster zijn en daarmee basta. Zij moet zich in huis nuttig maken, totdat een man haar tot zijn vrouw verheft en komt die niet, welnu, dan kan zij zich in een ander gezin nuttig maken.

Dit nu zou zelfs voor de Gereformeerde vrouwen niet meer aannemelijk zijn; misschien ook niet voor Exc. de Vries zelf. Maar als hij dus misschien wel iets goeds ziet in de meerdere geestelijke ontwikkeling van de vrouw, waarom brengt hij dat dan in zijn betoog niet even naar voren ? Moeten wij als Liberalen dan altijd het voorbeeld geven om ook het goede