is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 5, 1910, no 12, 30-12-1910

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geconstateerd werd. Iets hooger daarentegen was in de IJsselsteenfabrieken het aantal levenlooze geboorten, terwijl ineer in het bijzonder het percentage miskramen (gemiddeld 5,63 pCt.) ten nadeele valt van de steenbakkerijen.

Dezelfde opmerkingen werden gemaakt in het Centraal Verslag van 1907/1908 naar aanleiding van de in die jaren geconstateerde cijfers. Toen werd opgemerkt en het is wellicht van belang zulks ook hier te herhalen, dat de kindersterfte in Maastricht buitengewoon groot is. Zulks staat wél met den daar veelvuldig voorkomenden fabrieksarbeid der gehuwde vrouwen in verband, doch moet niet bepaald aan het werken in de keramische fabrieken worden geweten.

Een geheel nieuw toezicht is dat op de jongens, die in handvlasserijen en hennephekelarijen werkzaam zijn. Omdat volgens bewering hen een ernstig gezondheidsgevaar door het vele en schadelijke stof bedreigt, worden deze jaarlijks geneeskundig onderzocht en wel wat de eersten betreft vóór het seizoen aanvangt.

In vlasserijen werden in totaal geneeskundig onderzocht 66 jongens van 12 jaar, 137 van 13 jaar, 174 van 14 jaar en 175 van 15 jaar, alzoo in totaal 552 personen. Hiervan werden afgekeurd 9 of ruim 1,5 pCt. In hekelarijen bedroegen de cijfers resp. 2, 11, 9 en 12 of in totaal 34 (allen goedgekeurd).

Eene belangrijke uitbreiding van het geneeskundig toezicht was het onderzoek van de beschermde personen in letter zetterij en en drukkerijen. In hoofdzaak betreft dit jongens, doch ook eenige meisjes en vrouwen. Het gevaar voor loodvergiftiging, in verband met het' veelvuldig voorkomen van longtuberculose in deze bedrijven was de aanleiding, dat ook hier een geneeskundig toezicht werd ingevoerd. Dit is echter niet zoo scherp periodiek als de hiervoor behandelde keuringen. Slechts alvorens dit vak door een beschermd persoon wordt opgevat, moet hij of zij zich aan een geneeskundig onderzoek onderwerpen. Eene herhaling hiervan is niet dwingend voorgeschreven, doch kan voor eiken persoon afzonderlijk door het districtshoofd der Arbeidsinspectie geëischt worden. Toen deze maatregel werd ingevoerd, is er tegelijk bij bepaald, dat alle beschermde personen, die reeds in de letterzetterijen en drukkerijen werkzaam waren, geneeskundig onderzocht zouden worden. Dit betrof 2 538 personen, waaronder 2 407 jongens, 131 meisjes en vrouwen.

Van de onderzochte personen waren er 293 voor wie het wenschelijk was hen in observatie te houden, te weten: 27 jongéns van 12 jaar, 88 van 13 jaar, 106 van 14 jaar, 54 van 15 jaar en 18 meisjes boven 16 jaar.

In het geheel werden 21 jeugdige personen afgekeurd, te weten: 2 jongens van 12 jaar, 7 van 13 jaar, 8 van 14 jaar en 4 van 15 jaar.

(Wordt vervolgd.)

De Ongevallenverzekering in Nederland in 1909.

(L'assurance contre les accidents du travail en Hollande, 1909.)

Aan het verslag omtrent den staat der Rijksverzekeringsbank in het jaar 1909 is het volgende ontleend:

Het aantal in 1909 ingekomen bedrijfsaangiften bedroeg 9 581 tegen 10 705 in 1908 en 11 618 in 1907.

Op 31 December 1909 waren bij de Bank 89 619 verzekeringsplichtige ondernemingen bekend (in 1908 89 811). Hieronder zijn echter nog begrepen de ondernemingen, ten opzichte waarvan het onderzoek, of de aangifte van staking al of niet terecht was geschied, bij het einde des jaars nog niet was afgeloopen.

In 1 389 gevallen werd, tengevolge van een in de onderneming plaats gehad hebbende verandering, eene onderneming opnieuw geclassificeerd of aan haar een nieuw gevarencijfer toegewezen.

Het aantal ingekomen aangiften van staking van bedrijf bedroeg 6 939, waaronder 256 van werkgevers, aan wie werd medegedeeld, dat zij, naar het oordeel van het bestuur, niet hadden opgehouden een verzekeringsplichtig bedrijf uit te oefenen.

Aan 555 personen werd medegedeeld, dat hunne bedrijfsaangifte ten onrechte was geschied.

Het aantal in 1909 aan het bestuur gezonden requesten, houdende verzoek om toegelaten te worden het risico over te dragen aan een naamlooze vennootschap of rechtspersoonlijkheid bezittende vereeniging, bedroeg 2 336. Hiervan werden 107 door de requestranten ingetrokken, terwijl op 69 requesten ongunstig moest worden geadviseerd. Het aantal werkgevers, dat is toegelaten het risico