is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 1, 01-02-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* Gemiddeld loon per arbeidsdag in:

möeius- Verdiend loon

GESTICHTEN1. dagen i i i —j j i

in 1909

in 1909. ' 1900. 1901. 1902. 1903. 1904. 1905. 1906. 1907. 1908. 190t

Bijzondere Strafgevangenissen. . . 66 231 f 10 901,65 f 0,13 6 f 0,15 f 0,15 5 f 0,165 f 0,17 f 0,15 ^ f 0,16 f 0,10 f 0,16 f 0,1 Gewone Strafgevangenissen . . . 553 284 » 67 268,03 ;» 0,105 » 0,105 » 0,105 » 0,11 » 0,11 » 0,115 » 0,11 » 0,12 » 0,12 » 0,1 lluizen van Bewaring 235 43G'/2» 17 905,585 » 0.085 » 0,08 ■' » 0,09 » 0,08 U 0,08 » 0,07 5 » 0,08 » 0,08j» 0,0S!» 0,( Kleine Huizen van

Bewaring. ... 8 » 0,30 >» 0,07 » 0,12 » 0,11 » 0,13 »> 0,10 » 0,09 » 0,05 » 0,06 » 0,05■» 0,( Rijkswerkinrichtingen 894 552 » 122 872,565 » 0,13 » 0,13 » 0,13 » 0,135 » 0.13 » 0,13s » 0,13 » 0,13 » 0,13 » 0,1

Gezamenlijke

gestichten. . 1 749 511'/., f 218 948,13 f 0,12 f 0,12 f 0,12 f 0,12 f 0,12 f 0,12 5 f 0,12 f 0,12 f 0,12 f 0,1

Van het in 1909 verdiende loon werd als uitgaanskas bewaard een bedrag van f 79 364,38, terwijl f 139 583,75. voor zakgeld werd bestemd. Met de bedragen bij het begin des jaars aanwezig en hetgeen uit anderen hoofde tegoed geschreven was, maakt dit een totaal bedrag uit van f 196 962,45 aan uitgaanskassen en f 193 074,02 aan zakgeld, te zamen f 390 036,47 tegen f 387 725,145 in 1908. Er werd ingehouden voor opgelegde vergoedingen f 947,613 van de uitgaanskassen en f 434,29 van het zakgeld.

Bij ontslag werd uitbetaald f 88 606,495, terwijl nog bovendien aan reisgeld werd verstrekt f 686,70 en wel aan 424 personen geheel en aan 383 personen gedeeltelijk.

Omtrent den economischen toestand van de uit de gevangenissen en Rijkswerkinrichtingen ontslagenen valt het volgende op te merken. Er waren 1 447 ontslagenen, die van 3—6 maanden in de strafinrichting hadden vertoefd; 13,2 pCt. was beneden 20 jaar, 67,9 pCt. van 20—40 jaar, 16,7 pCt. van 40 60 jaar en 2,2 pCt. van 60 jaar en ouder.

Van deze ontslagenen hadden een uitgaanskas van minder dan f 5 47,5 pCt., van f 5—f 20 49 pCt., van f 20—f 50 3 pCt., van f 50, f 100 0,3 pCt. en van meer dan f 100 0,1 pCt. Van 385 dezer ontslagenen, d.i. 26,6 pCt., was het bestaan vermoedelijk verzekerd en wel van 97 door vermogen of persoonlijke hulpbronnen en van 288 door uitzicht op plaatsing in een betrekking. Van de overigen waren er 1 047 tot werken in staat; de meesten hunner waren tusschen 20 en 40 jaar oud (66,9 pCt.) en hadden een uitgaanskas van minder dan f 5 of van f 5—f 20 (resp. 46,4 en 50,6 pCt). De overige 15 (1,4 pCt.), wier bestaan vermoedelijk niet verzekerd was, waren niet tot werken in staat.

Van de ontslagenen, die een straftijd van 6 maanden of meer achter zich hadden, 2 862 ') in aantal, waren er 3,1 pCt. beneden 20 jaar, 46,8 pCt. van 20—40 jaar, 37,2 pCt. van 40— 60 jaar en 12,9 pCt. 60 jaar en ouder. Van deze ontslagenen hadden 4 pCt. een uitgaanskas van minder dan f 5, 37,3 pCt. van f 5,—f 20,^43,2 pCt. van ;f 20-f 50, 11,7 pCt. van f 50—f 100 en 3,9 pCt. van f 100 en hooger. Van 578 of 20,2 pCt. was het bestaan vermoedelijk verzekerd door vermogen of persoonlijke hulpbronnen of door uitzicht op plaatsing in een betrekking (resp. 105 en1473). Van de personen, wier bestaan vermoedelijk niet verzekerd was, waren 2 227 tot werken in staat; hiervan was 40 pCt. tusschen 40 en 60 jaar, 42,8 pCt. tusschen 20 en 40 jaar, 14,6 pCt. 60 jaar en ouder en 2,6 pCt. beneden 20 jaar. De overige 58 (2,5 pCt.) waren niet tot werken in staat.

Bovendien 1 persoon, reeds het vorige jaar voorwaardelijk in vrijheid gesteld, met medeneming van de geheele uitgaanskas.