is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 2, 28-02-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als volgt verdeeld: geneeskundige behandeling 71 335248M., geneesmiddelen enz. 44 470 182 M., ziekengeld, uitgekeerd aan leden, 130 045 138 M., aan personen behoorende tot het gezin van leden 4 411 297 M., ondersteuning bij zwangerschap en bevalling 6107 017 M., uitkeeringen bij overlijden 7 424 403 M., kosten van behandeling en verpleging in ziekenhuizen 41 706 517 M., zorg voor herstellenden 210 492 M. Als vergoeding voor door derden toegekende ziekenondersteuning werd 4 336 779 M. uitgegeven.

Loonen der mijnwerkers in het Ruhrgebied. ')

(Salaires des mineurs dans le centre de la Ruhr.)

De mijnen in het Ruhrgebied hadden aan het einde van het derde kwartaal van 1910 in het geheel 10 606 bedienden en opzichters en 329 046 arbeiders in dienst, tegen respectievelijk 10 193 en 327 003 aan het einde van het overeenkomstige tijdperk in 1909. Het aantal werkdagen van deze arbeiders bedroeg in eerstgenoemde periode totaal 26059057, en hun gezamenlijk loon Mk. 119050918, tegen 26 657 456 werkdagen en Mk. 114 843 804 in het derde kwartaal van 1909. Het gemiddeld aantal werkdagen per arbeider bedroeg derhalve respectievelijk 79 en 78 en het gemiddeld loon Mk. 4,57 en Mk. 4,48 per arbeider en per werkdag.

Qroot=Britannië en Ierland.

(Grande Bretagne et Irlande.)

Loon, arbeidsduur en groothandelsprijzen gedurende 1910. 2)

(Salaire, durée du travail et prix des marchandises du commerce en gros pendant 1910.)

De daling der loonen, die in 1908 begon en bijna het geheele jaar 1909 aanhield, maakte in het begin van 1910 plaats voor een geringe stijging, die zich over het algemeen gedurende de rest van het jaar handhaafde. Het gevolg van alle loonsveranderingen, in 1910 voorgekomen, was een stijging der loonen met in totaal £ 13 891 per week. Het aantal bij de veranderingen betrokken werklieden bedroeg 534 119, d. i. minder dan de helft van dat in 1909 (1 151 762); van 381 244 werd het loon verhoogd met een bedrag van £ 15 761 per week, van 132 456 verlaagd met een bedrag v.an £ 1 870 per week. De loonen def overige 20 419 werklieden werden zoowel verhoogd als verlaagd, waardoor zij op het eind van het jaar even hoog waren als bij het begin. Bij de hier genoemde cijfers is met de veranderingen der loonen van landbouwers, zeelieden, spoorwegpersoneel, politiebeambten en staatsambtenaren geen rekening gehouden, evenmin met veranderingen in de verdiensten, veroorzaakt door schommelingen in den stand der arbeidsmarkt of door gewijzigde arbeidsvoorwaarden.

In alle bedrijfsgroepen zijn gedurende 1910 de loonen gestegen. Evenals in 1909 waren op het totaal aantal bij alle veranderingen betrokken werklieden en het totaal bedrag der loonstijging vooral de veranderingen der loonen in den kolenmijnbouw van invloed. In dit bedrijf werden de loonen van 378 786 werklieden met in totaal 4' 5 554 per week verhoogd, in den machine- en scheepsbouw die van 50 027 arbeiders met £ 2 573 per week.

De jaren 1908 en 1909, waarin de loonen daalden, werden voorafgegaan door twee jaren, waarin zij stegen. Vóór deze jaren was er een 5-jarige periode (1901-1905), waarin de loonen terugliepen; dit tijdvak werd voorafgegaan door 5 jaren (1896—1900), waarin de loonen stegen. Het volgende staatje geeft een overzicht van deze schommelingen.

') „Handelsberichten" van 9 Februari 1911, no. 204. 2) Labour Gazette van Januari 1911.