is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 4, 30-04-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Onderzoek naar den fabrieksarbeid van gehuwde vrouwen

in Nederland.

(Enquête sur le travail des femmes mariées dans les usines.)

Door de Directie van den Arbeid zijn voor kort gepubliceerd de resultaten van een door een 4-tal inspectrices in de jaren 1908 en 1909 ingesteld onderzoek naar den fabrieksarbeid van gehuwde ^röïïwerr-Aan deze publicatie is het volgende

ontleend. , , i

Het onderzoek heeft zich uitgestrekt over alle industriëele bedrijven; slechts een uitzondering werd gemaakt voor de veenderijen, daar hierop de Arbeids- en Veiligheidswet niet van toepassing zijn. Beperkt werd het onderzoek tot den eigenlijken loonarbeid in werkplaatsen. Buiten het onderzoek staat dus niet alleen de huisindustrie, waarnaar een afzonderlijk en uitvoerig onderzoek ingesteld wordt, doch ook alle arbeid der gehuwde vrouw als bedrijfshoofd of als echtgenoote van het bedrijfshoofd.

Onderscheid is gemaakt tusschen gehuwde vrouwen, weduwen, en gescheiden of verlaten vrouwen, omdat zulks voor de beoordeeling der verzamelde gegevens over het gezin en de inkomsten daarvan noodzakelijk was. Bovendien is het onderzoek voor een gedeelte uitgebreid tot den arbeid van ongehuwde moeders.

Een overzicht van de plaatsen, waar de gehuwde fabrieksarbeidsters werkzaam zijn, geeft het staatje op blz. 292.

Het is gebleken, dat het grootst aantal gehuwde vrouwen in de textielindustrie voorkomt, namelijk 1324; daarop volgen de verschillende bedrijven uit de groep der voedings- en genotmiddelen met 1 132; vervolgens de groep, waartoe de steen-, aardewerk- en glasfabrieken behooren met 920; verder de groep kleeding en reiniging, met 526. In alle overige groepen blijft het aantal onder de 200.

Van elke 100 gehuwde vrouwen (weduwen enz. niet meegerekend), die in fabrieken en werkplaatsen arbeid verrichten en wier leeftijd bekend is, zijn er 1,3 beneden de 20 jaar, 41,2 van 20—29, 30,6 van 30—39, 15,7 van 40—49, 9,6 van 50—64 en 1,6 van 65 jaar en ouder. Bij splitsing naar de provinciën blijkt, dat van 20—29 jarigen leeftijd een grooter relatief aantal was in Limburg en Overijssel, waar vrouwenarbeid in groote fabrieken zeer veel voorkomt, dan in de overige provinciën.

Om na te gaan, in welke mate fabrieksarbeid van de gehuwde vrouw voorkomt, was het niet voldoende op te sporen, hoeveel gehuwde vrouwen in fabrieken en werkplaatsen werden aangetroffen, doch ook welk deel zij van de geheele werkzame fabrieksbevolking uitmaakten.

Nagegaan is hoeveel arbeiders boven de 16 jaar werkzaam zijn in alle fabrieken en werkplaatsen, waarop de Veiligheidswet van toepassing is. Daarvan zijn echter uitgezonderd alle bakkerijen zonder krachtwerktuig en de zwingelketen, maar erbij gevoegd zijn alle wasscherijen, ook indien de Veiligheidswet voor deze inrichtingen niet geldt. Men kan aldus vergelijken het aantal arbeidende personen boven de 16 jaar in de industrie met het aantal gehuwde vrouwen, die bij het onderzoek zijn aangetroffen. Deze vergelijking geeft echter nog slechts een onvolkomen indruk van den omvang van den fabrieksarbeid der gehuwde vrouw. Daarom is tevens nagegaan hoeveel vrouwen boven de 16 jaar dus gehuwde en ongehuwde te zamen — werkzaam zijn in de hierboven nader omschreven soorten van fabrieken en werkplaatsen en getracht om den omvang van den fabrieksarbeid der gehuwde vrouw aan te geven door verhoudingscijfers, welke uitdrukken hoeveel van elke 100 in de industrie werkzame personen boven de 16 jaar gehuwde vrouwen zijn, en hoeveel van elke 100 vrouwelijke personen boven de 16 jaar, die in fabrieken werken, gehuwd zijn. Hetzelfde is ook uitgerekend voor de weduwen, de gescheiden of verlaten vrouwen en, voor zooveel mogelijk, voor de ongehuwde moeders.

De resultatei) worden in het staatje op blz. 293 aangegeven (de cursieve cijfers geven aan waar de verhouding hooger is dan het gemiddelde).

Nadat ook met staten en cijfers een overzicht is gegeven van den omvang van het onderzoek, alsmede van de relatieve beteekenis, die aan den fabrieksarbeid der gehuwde vrouw in het algemeen is toe te kennen, is in het tweede hoofdstuk aangeduid, welk resultaat het onderzoek in onderscheidene takken van industrie heeft opgeleverd. Slechts eene eenigszins uitvoerige beschrijving van den