is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 8, 15-09-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het aantal verschillende personen, gedurende 1910 onderzocht, bedraagt 3 945, zoodat dus in 408 gevallen onderzoekingen plaats hadden bij personen, die zich in den loop van het jaar reeds eerder op een Limburgsche mijn hadden aangemeld. Het aantal onderzoekingen tengevolge van aanmelding bij een Limburgsche mijn bedraagt 1 160 (herkomstig uit Limburgsche mijnen) en 3 193 (niet daaruit herkomstig). Hieronder bleken resp. 0,259 en 1,190 pCt. wormdragend. Het aantal ingestelde controle-onderzoekingen bedraagt 2 431 ; 0,370 pCt. der hieraan onderworpenen bleek wormdragend.

Betreffende het aantal verschillende werklieden in 1910 onderzocht en het aantal verschillende wormdragers valt op te merken, dat 0,320 pCt. van de onderzochte werklieden, uit Limburgsche mijnen afkomstig, wormdragend was; voor de werklieden, niet uit Limburgsche mijnen afkomstig, bedraagt dit percentage 1,230, voor hen, die aan controle-onderzoekingen werden onderworpen, 0,294.

Verslag over den Landbouw in Nederland in 1910.

(Rapport sur Vagriculture dans les Pays-Bas en 1910.)

Aan dit als n°. 4 van de reeks „Verslagen en Mededeelingen van de Directie van den Landbouw" (1911) gepubliceerde rapport is het volgende ontleend betreffende de voorloopige uitkomsten der telling in zake het grondgebruik.

Het aantal land- en tuinbouwbedrijven boven 1 H.A. in 1910 in het geheele land bedroeg 209 302, tegen 182 566 in 1904 en 164 878 in 1888, waarbij ten aanzien van laatstgenoemd jaar valt op te merken, dat slechts een deel der tuinbouwers onder het aangegeven cijfer zijn begrepen.

In vrijwel alle provinciën is een groote vermeerdering van het aantal kleine bedrijven waar te nemen. In het algemeen valt echter ook eene toeneming van het aantal grootere bedrijven te constateeren. Dit verschijnsel laat zich door verschillende omstandigheden verklaren. Door ontginning is de oppervlakte gecultiveerde grond belangrijk toegenomen. Binnen elke grootteklasse zijn voorts belangrijke schommelingen mogelijk, terwijl ten slotte de resultaten van vroegere opnemingen misschien aan nauwkeurigheid nog al te wenschen zullen hebben overgelaten. Inzonderheid wordt betwijfeld, of wel steeds alle bedrijven, geëxploiteerd door arbeiders en niet in het landbouwbedrijf hun hoofdberoep vindende personen, zijn in rekening gebracht. .

Wat eigendom en pacht betreft, leiden de verkregen cijfers tot de conclusie, dat de toeneming van het pachtwezen, welke tot 1904 viel te constateeren, zich ook na dien tijd heeft voortgezet. Terwijl in 1888 58,8 pCt. van het aantal bedrijven werd geëxploiteerd door den eigenaar, was dit in 1904 het geval met 54,5 pCt. en in 1910 met 50,8 pCt. De toeneming van het pachtwezen strekt zich, wat het geheele land betreft, vrij gelijkmatig uit over de bedrijven van alle grootte. Alleen de bedrijven van meer dan 100 H.A. maken hierop eene uitzondering, maar hieraan kan niet veel beteekenis worden gehecht, daar bij het geringe aantal dezer bedrijven het toeval hier eene groote rol speelt. Ook is hier en daar afwijking van den regel waar te nemen, zoo men voor iedere provincie de cijfers meer in bijzonderheden nagaat.

Gemengde mededeelingen.

(Communications diverses.)

Arbeidsvoorwaarden. Alfen (B) '). De uurloonen van timmerlieden, metselaars en schilders werden met ingang van 1 Juli j.1. van 16 op 17 ets. gebracht.

— Amsterdam. B. en W. van Amsterdam hebben in hun vergadering van 2 Mei 1911 besloten in de lijst van minimumloonen, bedoeld sub II der Bepalingen omtrent minimumloon en maximum-arbeidsduur in bestekken voor gemeentewerken 2), laatstelijk gewijzigd bij hun besluit van 8 November 1910, het uurloon van den schilder te brengen op 27 cent, en van 1 April 1912 af op 28 cent. Bij de wijziging van 8 November 1910 werd de categorie „betonwerker geschrapt.

1) Voor de verklaring dezer letters, waarmede de bronnen worden aangeduid, zij verwezen naar blz. 504

2) Zie afl. 12, 1909, blz. 1372.