is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 11, 30-11-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in belangrijkheid toenam. Uit een nader onderzoek (hetwelk hier kortheidshalve niet wordt weergegeven) blijkt, dat van een duidelijke algemeene richting in de ontwikkeling van het kleinbedrijf gedurende de jaren 1903 t/m 1906 geen sprake is; dat de voor het middelbedrijf gevonden vermindering der importantie een vrij algemeen, n.1. in de meeste groote bedrijfsgroepen terug te vinden verschijnsel is, hetwelk buitendien vrij duidelijk aan het licht komt door een betrekkelijk grooten omvang der veranderingen in sommige groepen (b.v. bij de groep der boek- en steendrukkerij, der bouwbedrijven, der hout-, kurk- en stroobewerking, der metaalbewerking, van het handels- en verkeerswezen). Iets minder algemeen, maar niet minder duidelijk blijkt de toeneming der belangrijkheid van het grootbedrijf. Waar in de meer belangrijke groepen teruggang gevonden wordt, is deze toch zeer gering, terwijl daarentegen de gevallen van toeneming der percentages talrijker en veel belangrijker zijn.

Wanneer' men de voornaamste industrieën ordent naar de importantie van het groot-, middel- en kleinbedrijf, waarbij als maatstaf van importantie het percentage is genomen van het aantal arbeidsdagen uitgedrukt in het geheele aantal arbeidsdagen voor de betrokken industrie, dan predomineeren in 1903, 1904, 1905 en 1906 in het kleinbedrijf: het slagersbedrijf zonder krachtwerktuig met resp. 81,15, 83,49, 84,28 en 84,04 pCt. van het geheel aantal arbeidsdagen in dit bedrijf, het schippersbedrijf met resp. 80,60, 81,38, 84,02 en 83,89 pCt., de huis-, hoef- en kachelsmederij zonder krachtwerktuig met resp. 71,04,70,89,71,59 en 73,13 pCt., het rijtuig- of wagenmakersbedrijf zonder krachtwerktuig met resp. 67,48, 67,37, 70,22 en 70,85 pCt., het bedrijf in meelfabrieken met krachtwerktuig met resp. 59,05, 59,04, 59,38 en 61,02 pCt. De in het kleinbedrijf het meest op den voorgrond tredende bedrijven zijn niet talrijk en het percentage daalt zeer snel.

De bedrijven, die predomineeren in het middel- en grootbedrijf zijn de volgende. . (Zie de tabel op bladz. 714).

Het kleinbedrijf in die industrieën, waar het nog min of meer een belangrijke plaats inneemt, schijnt eer vooruit dan achteruit te gaan (vertraagde aangiften hebben echter juist hier grooten invloed uitgeoefend). Het deel der industrie dat in de grootteklasse 5—49 arbeiders valt, schijnt in de meeste bedrijfstakken in omvang af te nemen. Meestal komt deze beperking van het middelbedrijf ten goede aan het grootbedrijf, zooals o.a. duidelijk het geval blijkt bij het wasschersen bleekersbedrijf, het bedrijf uitgeoefend in oliemolens, het branders- en distilleerdersbedrijf, het stoomboot- en motorbootondernemersbedrijf op rivieren en op de Zuiderzee, het bedrijf van vervaardigen van wollen stoffen, het stobmtramondernemersbedrijf en dat van vervaardigen van kunstboter. In sommige gevallen schijnt het middelbedrijf echter aan invloed te winnen, zooals bijvoorbeeld bij het scheepmakersbedrijf zonder krachtwerktuig, waar de percentages voor het grootbedrijf ongeveer even sterk terugloopen als die voor het middelbedrijf toenemen.

Onder de ondernemingen der grootte-klassen 500—999 en 1 000 en meer werklieden, nemen een zeer belangrijke plaats in verschillende, niet tot de industrie in den engeren zin des woords te rekenen bedrijven, benevens eenige staatsen gemeentediensten.

In de grootte-klasse „1 000 en meer werklieden", te zamen omvattend in 1905 81 289 en in 1906 86 896 werklieden, vallen n.1.:

1°. 3 spoorwegmaatschappijen met in 1905 resp. 19214, 12 116 en 1 225 en in 1906 resp. 19 659, 12 205 en 1 367 werklieden;

2°. de dienst der posterijen en der .telegrafie (in 1905 20 194 en in 1906 23 747 werklieden);

3°. de exploitatie der Amsterdamsche gemeentetram (in 1905 en 1906 resp. 1 347 en 1 567 werklieden).

4°. de exploitatie der Amsterdamsche gemeente-gasfabrieken (in 1905 en 1906 resp. 2 038 en 2 026 werklieden);

5°. verschillende tot 1 onderneming vereenigde gemeentebedrijven van de gemeente Amsterdam (resp. 1 090 en 1 096 werklieden);

6°. id. van de gemeente Rotterdam (resp. 1 893 en 1 757 werklieden);

7°. de Rotterdamsche brandweer ( „ 1 450 „ 1 446 „ );

8°. de Marinewerf te Amsterdam ( „ 1 199 „ 1 148 „ ).

De overige ondernemingen dezer grootteklasse zijn de navolgende:

1 fabriek van werktuigen en spoorwegmaterieel (in 1905 en 1906 resp. met 1 793 en 2 079 werklieden);

2 aardewerkfabrieken (met in 1905 en 1906 resp. 1 599 en 1 843 en 1 599 en 1 829 werklieden);