is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 6, 1911, no 12, 30-12-1911

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vorderen, klom in 1910 van f 160 423 090,545 tot f 164 277 593,41. Aan rente werd door de bank ontvangen f 6 021 243,955, terwijl ontvangen of alsnog te vorderen was van de postspaarbank in Ned.-Indië en van de Koloniale Postspaarbank in Suriname f 1111,55, alzoo in totaal een som van f 6 022 355,505. Onder de terugbetalingen is begrepen, wegens aan de inleggers uitgekeerde rente op geheel afbetaalde boekjes, een som van f 131 260; wegens rente werd aan het einde des jaars op de boekjes bijgeschreven f 3 989 537,36, zoodat de som der uitgekeerde en bijgeschreven rente bedraagt f 4 120 797,36 tegen f 3 970 750,06 in 1909. Het gemiddelde rentebedrag, verkregen door de gezamenlijke beleggingen, beliep in 1910 3,48 tegen 3,28 in 1909.

Uit de resultaten van den met 1 November 1907 in werking getreden dienst der staatsschuldboekjes blijkt, dat in 1910 het aantal boekjes vermeerderde met 3235, en het verschuldigde nominaal saldo met f 4 095 250. Dientengevolge waren op het einde van het jaar in omloop 15 647 boekjes met een saldo van f 13 889 650 tegen 12 422 boekjes aanwijzende een nominaal kapitaal van f 9 794 400. Berekend naar den koers der betrekkelijke schuld op 31 December 1910 hadden de titularissen van staatsschuldboekjes te vorderen f 12 309 702,31 tegen f 8 931 258,50 einde 1909.

In totaal was op 31 December 1910 aan de inleggers dus feitelijk verschuldigd f 176 587 295,72, vertegenwoordigende eene vermeerdering op spaarbankboekjes van f 3 854 502,863 en op staatschuldboekjes van f 3 378 443,81, derhalve een totale tegoed-vermeerdering van f 7 232 946,675. De hoogste tegoed-vermeerdering kwam tot dusver voor in 1909 en bedroeg toen f 11 745 609,96.

Uit den staat, aanwijzende het aantal op uit0. December 1910 in omloop zijnde spaarbankboekjes, gesplitst naar het bedrag van het tegoed, blijkt, dat zich op 434 944 van de 1 510033 boekjes een tegoed bevond van minder dan f 1, op 334 270 van f 1 tot beneden f 10, op 381 323 van f 10 tot beneden f 100, op 307 908 van f 100 t/m. f 800. In percentsgewijze verhouding tot het totaal-aantal boekjes resp. 28,80, 22,14, 25,25 en 20,39. Verband hiermede houdt het feit, dat van de 131 068 in 1910 uitgegeven boekjes 43 934 of 33,5 pCt. stonden ten name van werklieden (in 1909 34,4 pCt.).

Het gemiddeld saldo tegoed per boekje bedroeg op het einde van 1910 f 108,79 tegen f 109,68 een jaar te voren. Voor de provincie Noord-Holland, die in verhouding tot de bevolking het grootste aantal boekjes telt, is het cijfer van het saldo tegoed per boekje het laagst, n.1. f 82,97. Het hoogste tegoed heeft wederom Limburg n.1. f 146,58.

Van de bij de wet van 20 Juli 1895 aan de inleggers verleende bevoegdheid, om door tusschenkomst van de Rijkspostspaarbank, Nationale Schuld aan te koopen, is in den loop van 1910 158 maal gebruik gemaakt, tot een nominaal bedrag van f 130 300 (tegen 127 maal tot een nominaal bedrag van f 116 400 in 1909). Tengevolge van de inning der renten, wegens de inschrijvingen in een der Grootboeken van de Nationale Schuld, door tusschenkomst van de Rijkspostspaarbank verkregen, is in 1 286 posten een bedrag van f 31 597 als gewone inleg op de spaarbankboekjes bijgeschreven (tegen f 32 201,50 verdeeld over 1 383 posten in 1909).

Volgens art. 1638s van het B. W. mag bij schriftelijke overeenkomst of reglement worden bedongen, dat de werkgever een zeker bedrag van het loon (z.g. staangeld) ten name van den arbeider bij de Rijkspostspaarbank zal beleggen, ten einde op dit bedrag de schadeloosstelling te kunnen verhalen, welke door den arbeider bij het eindigen der dienstbetrekking verschuldigd mocht zijn (in werking getreden 1 Februari 1909). Het aantal van deze boekjes dat tot nu toe werd afgegeven, is niet groot. Op 31 December toch waren er slechts 137 (127 einde 1909) werkgevers, die te zamen 5 125 dergelijke boekjes in hun bezit hadden en waarop een totaal bedrag van f 84 503,75 (f 76 149,463 in 1909) was ingeschreven.

Art. 35 der Leerplichtwet.

(Subventions des communes selon Varticle 35 de la loi sur Venseignement obligatoire.)

Ten vervolge op het in Afl. VI, blz. 239, Afl. XI, blz. 287, Afl. XV, blz. 164 van het Tijdschrift, Afl. V, blz. 43 van het Maandschrift (1906), Afl. II, blz. 62, Afl. XII, blz. 58 (1908), Afl. XII, blz. 1363 (1909) en Afl. II, blz. 138 (1911) medegedeelde omtrent hetgeen in de jaren 1902 en volgende in verschillende gemeenten van ons land geschied is ter uitvoering van art. 35 der Leerplichtwet, volge hieronder een staatje '), dat een blik geeft op de verrichtingen gedurende het

l) Opgaven varf het Departement van Binnenlandsche Zaken,