is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 4, 1909, no 8, 31-08-1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(5,45 pCt.); dat voor 22,68 pCt. een ten deele gunstige uitslag werd verkregen, d.i. voor ongeveer 2/5 van het aantal stakers in 1907 (57,58 pCt.) en voor ongeveer de helft van het aantal stakers in 1906 (41,54 pCt.), maar voor iets grooter aantal dan in 1901 — 1905 (19,36 pCt.) en dat voor 57,20 pCt. de uitslag ongunstig was, dus in verhouding voor veel meer stakers dan in 1907 (34,87 pCt) en in 1906 (39,82 pCt.), doch voor minder dan in 1901—1905 (61,16 pCt.). In 1908 werd voor slechts 40,51 pCt. van alle stakers een geheel of gedeeltelijk gunstige uitslag bereikt of voor veel minder dan in 1907 (63,03 pCt.) en 1906 (59,56 pCt.), maar voor iets meer dan gemiddeld in de periode 1901- 1905 (37,70 pCt.).

Voorts zij nog medegedeeld, dat in 1908 7,16 pCt. van het totaal aantal verloren arbeidsdagen verloren ging door stakingen, ten gunste der werklieden geëindigd (tegen 1,26 pCt. in 1907 en 5,80 pCt. in 1906); 25,90 pCt. door stakingen, door schikking geëindigd (69,05 pCt. in 1907 en 35,55 pCt. in 1906); 64,34 pCt. (tegen 23,46 pCt. in 1907 en 58,21 pCt. in 1906) door stakingen, ten nadeele der werklieden geëindigd en 2,61 pCt. door stakingen, waarvan de uitslag onbeslist of onbekend bleef (tegen 6,23 pCt. in 1907 en 0,45 pCt. in 1906).

Wat de wijze van beëindiging der geschillen betreft, kan medegedeeld worden, dat 31 maal als wijze van beëindiging voorkwam „directe onderhandeling tusschen patroon en werklieden of commissie uit de werklieden", 31 maal „onderhandeling tusschen patroon en werklieden, waarbij voor één van beide of voor beide partijen eene organisatie optrad", 5 maal „bemiddeling van derden", 15 maal „indienstneming van andere werklieden", 22 maal „zonder onderhandeling toegeven aan een der partijen", terwijl 8 maal beëindiging op „andere wijze" geschiedde.

In 1908 werd 1 maal de door eene Kamer van Arbeid aangeboden bemiddeling door den patroon van de hand gewezen, 3 maal was een Kamer in een geschil betrokken, waarvan 2 maal met succes. In 1907 bedroegen deze cijfers resp. 5, 5 en 4; in 1906: 2, 8 en 4; in 1905: 6, 12 en 6; in 1904: 0,6 en 4; in 1903: 5, 11 en 8.

In 1908 zijn de werkliedenorganisaties tusschen beide gekomen in 72 werkstakingen en de patroonsvereenigingen in 11. In 1907 resp. in 103 en 36; in 1906 resp. in 106 en 39; in 1905 resp. in 82 en 20; in 1904 resp. in 46 en 8 en in 1903 resp. in 94 en 22 werkstakingen.

Het aantal uitsluitingen, in 1908 begonnen, bedroeg 27, tegen 16 in 1907, 17 in 1906 en gemiddeld 11,6 in de vijfjarige periode 1901—1905 '). In 1908 bedroeg het aantal uitgeslotenen + 1 515 (bekend voor alle uitsluitingen), tegen ± 3 508 in 1907 (voor 16 uitsluitingen), + 7 789 in 1906 (voor 16 geschillen) en + 2 644,8 in 1901 — 1905 (voor gemiddeld 11,2 geschillen).

Het aantal betrokken ondernemingen bedroeg ± 155 (voor alle uitsluitingen), tegen 59 in 1907 (voor 16 geschillen), 40 in 1906 (voor 16 uitsluitingen) en 24,6 in 1901—1905 (voor gemiddeld 10,8 geschillen).

Onderstaand staatje (zie blz. 952) geeft een overzicht van het aantal uitsluitingen, begonnen in de jaren 1908, 1907, 1906 en gemiddeld in 1901 — 1905, onderscheiden naar de beroepsgroepen, waai in zij voorkwamen.

Alle uitsluitingen in de jaren 1908, 1907 en 1906 uitgebroken in de groep „voedings- en genotmiddelen", betroffen de tabaksbewerking (in 1908 8 uitsluitend sigarenmakers, -maaksters), terwijl van de 5,8 uitsluitingen, die gemiddeld gedurende de periode 1901—1905 in deze groep plaats hadden, er 5,3 de tabaksbewerking betroffen.

In 1908 werden door de patroons de volgende eischen gesteld: 5 maal handhaving van het oude loon, 1 maal loonsverlaging, 1 maal een andere looneisch; 1 maal betrof de eisch den arbeidsduur, 4 maal het vereenigingsrecht, 3 maal de regeling van het werk, terwijl 18 maal nog „andere eischen" werden gesteld (waarvan 7 betreffende de onderteekening van een arbeidscontract).

Het aantal door de uitgeslotenen verloren arbeidsdagen bedroeg in 1908 ± 34 978 (bekend voor alle geschillen) en dat door werklieden, die tengevolge der geschillen met werken moesten ophouden + 6 287 (voor alle uitsluitingen). Voor 1907 bedroegen deze aantallen resp. + 106 402 (voor 16 geschillen) en ± 8 204 (voor 14 uitsluitingen), voor 1906 resp. ± 66 281 (voor 16 geschillen) en + 650 (voor 17 uitsluitingen), voor 1905 resp. ± 25 123 (voor 6 uitsluitingen) en 25 (voor 5 geschillen) en voor 1904 resp. + 490 046 (voor 14 uitsluitingen) ' en ± 19 828 (voor 13 geschillen).

*) Het aantal uitsluitingen in de jaren 1901 t/m. 1905 bedroeg resp. 7, 14, 14, 17 en 6.