is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 4, 1909, no 8, 31-08-1909

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Consul-Generaal te Melbourne.

Belasting op het grootgrondbezit. Door den consul-generaal bovengenoemd werd aan het Bureau toegezonden een afdruk van een door den Premier van het afgetreden „Labor Party"-bewind op het laatste oogenblik ingediend Land lax Assessment Bill", het ontwerp eener progressieve belasting op het grootgrondbezit De strekking van dit wetsvoorstel is, door het belasten van grootgrondbezit meer land beschikbaar te krijgen voor emigranten. Ondanks den in den laatsten tiid meermalen voorgekomen aankoop van groote landgoederen door de regeeringen der verschillende Staten ten behoeve der kolonisatie neemt het grootgrondbezit voortdurend toe, vooral in Nieuw-Zuid-Wales, waarbij nog komt dat deze aankoopen de omliggende landgoederen in waarde doen stijgen. Het ligt in de bedoeling, de belasting niet te heffen van landgoederen, welker waarde minder

dan £ 5 000 bedraagt. , , ...

Volgens mededeeling van den consul-generaal bestaat op behandeling van

het wetsontwerp weinig kans. .

Nieuw-Zeelandsche ongevallenwet. Qoor tusschenkomst van den consulgeneraal ontving het Bureau voorts een exemplaar van de thans in Nieuw-Zeeland geldende ongevallenwet, het „Workers' Compensation Act, 1908 van 10 October 1908 met daarbij behoorende uitvoeringsvoorschriften. • . *

krachtens deze wet is de patroon van een werkman, die bij het verrichten van bepaalde werkzaamheden door een ongeval getroffen wordt, verplicht schade vergoeding te betalen. Bedoelde werkzaamheden zijn: a. die, welke worden verricht in of ten behoeve van het bedrijf of de handelsonderneming van den patroon en b. de werkzaamheden in mijnen en steengroeven en bij uitgravingen, houthakken,

bouwen en afbreken van huizen, fabricage of gebruikmaking van ontplofbare stoffen

toezicht op of bediening van door stoom of andere mechanische kracht gedreven machines, besturen van door paardenkracht of mechanisch voortbewogen voertuigen en ten slotte werkzaamheden, waarbij gevaar bestaat van een hoogte van nieer dan 12 voet te vallen, alles onverschillig of de werkzaamheden al dan niet ten beho van het bedrijf of de handelsonderneming van den patroon verricht wo^en.

Heeft het ongeval den dood van den werkman ten gevolge, dan bedraagt de schadevergoeding indien de overledene personen nalaat, die geheel van hem afhankelijk waren, het 156-voud van het gemiddeld weekloon, doch minstens M 200 en hoogstens £ 500; waren de nabestaanden gedeeltelijk van den getroffene afhankelijk zoo moet de patroon driemaal het bedrag van het in het laatste jaar door den werkman aan die nabestaanden uitgekeerde als schadevergoeding; be talen evenwel in geen geval meer dan de schadevergoeding zou bedragen ^bben, als de familieleden niet gedeeltelijk, doch geheel afhankelijk geweest waren Bovendien moet de patroon, onverschillig of de getroffene al dan niet nabestaanden heeft, de kosten van genees- en heelkundige hulp, alsmede die der begrafen

vergoeden tot een maximum van £ 20.

^Wanneer het ongeval geheele of gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken te o-pvnlgp heeft beoaalt het Hof — bij gebreke van een overeenkomst tusschen patroon en arbeider dienaangaande — of de schadevergoeding zal bestaan in een som in eens dan wel in een wekelijksche uitkeering voor den duur der arbeidsongeschfktheid De som in eens moet gelijk staan met het totaal bedrag der wekelijksche uitkeeringen, die naar het oordeel van het Hof waarschijnlijk be taald zouden moeten' zijn, indien tot een wekelijksche uitkeering was besj°ten> verhoogd met 5 pCt. samengestelde intrest. De wekelijksche uitkeering voor totale arbeidsongeschiktheid bedraagt de helft van het gemiddeld weekloon; was d t weekloon" niet minder dan 30 sh., zoo wordt niet minder dani i 1 uitgekeerd. In geval van gedeeltelijke ongeschiktheid tot werken bedraagt de wekelijksche uitkeering de helft van het verschil tusschen het gemiddeld weekloon voor het ongeval en dat, hetwelk de arbeider daarna verdient of zou kunnen verdienen. Met de wekelijksche uitkeeringen behoeft in geen geval langer dan 6 jaar te worden voortgegaan, terwijl eveneens daarmede kan opgehouden worden, wanneer in totaal een bedrag van £ 500 is uitbetaald. Voor ongeschiktheid tot werken van minder dan 7 dagen wordt geen schadevergoeding gegeven; duurt de arbeidsongeschiktheid korter dan 14 dagen, zoo worden de eerste 7 dagen niet vergoed Ten aanzien van een aantal bepaalde letsels geldt een speciale regeling voor de berekening der schadevergoeding, hierin bestaande, dat daarvoor een zeker percentage der vergoeding, welke bij totale arbeidsongeschiktheid zo moeten worden betaald, is uit te keeren.