is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 7, 1912, no 12, 30-12-1912

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

O

ouderen leeftijd ongeregeld of in een lagere klasse heeft betaald door deze omstandigheid niet lager wordt dan zü bij intreden der invaliditeit op 60-jarigen leeftijd zou zijn geweest, zoodat deze prikkel om vóór zijn 70ste jaar een invaliditeitsrente machtig te worden is weggenomen.

De eisch van vervulling van een wachttijd van 1248 weken is voor de ouderdomsrente vervallen, behalve ten aanzien van hen, die op of na hun 35ste jaar zijn toegetreden (wat alleen in den overgangstijd het geval kan zijn).

De bepaling, dat de werkman niet strafbaar zou zijn die over een kalenderweek geen premie betaalt, indien hij tengevolge van ziekte, gebrek aan werk of werkstaking in die week niet heeft gewerkt tegen loon of als ondernemer, terwijl de gehuwde vrouw zou kunnen volstaan met aan te toonen, dat zij in die week niet heeft gewerkt tegen loon of als ondernemer, verving de Minister - om niet een verplichting op te leggen, die men niet wenscht af te dwingen - door het voorschrift, dat in de bedoelde gevallen - met gehuwde vrouwen zullen ongehuwde, die een huishouding hebben te verzorgen, worden gelijk gesteld — geen premie behoeft betaald te worden. Een nieuw artikel verbiedt voorts de inning van premies bij wijze van burgerrechtelijke vordering of door inhouding op de renten.

Kort na het Verslag is een nader rapport van Prof. Kluyver gepubliceerd, waarin nieuwe berekeningen naar een rentevoet van 8'/s pCt. (in plaats van 3 pCt., zooals oorspronkelijk was aangenomen) zijn gemaakt. Bij de bovenvermelde wijzigingen met betrekking tot de weezenrente en de vrije rente werd door de Regeering reeds een 3</2 pCt. rentevoet aangenomen. Bij Nota van Wijzigingen, ingezonden 20 September 1912, werd op grond der nadere berekeningen de verhooging bij de verplichte rente van 10 op 14 pCt. van het totaal bedrag der betaalde premiën en de jaarlijksche bijdrage van het Eijk tot dekking der kosten van de verzekering gedurende 75 jaar van 8op 10 millioen gulden gebracht.

Wetsontwerp tot reorganisatie van «le Rijksverzekeringsbank. (Projet de loi visant la reorganisation de la Banque nationale d'Asmrance.) Bij Koninklijke Boodschap van 11 October 1912 is - in verband met de aanhangige voorstellen tot uitbreiding van de arbeidersverzekering — een wetsvoorstel tot reorganisatie van het beheer der Rijksverzekeringsbank bij de Tweede Kamer ingediend. Het ontwerp bepaalt in hoofdzaak, dat het beheer der Bank in plaats van bij een driehoofdig bestuur bij een directeur-generaal zal berusten, die onder de bevelen staat van den met de uitvoering der wet belasten Minister. De taak van den directeur-generaal bestaat in het geven van algemeene leiding en het beramen van middelen, waardoor de weikzaamheden der Bank het best aan haar doel kunnen beantwoorden. De dagelijksche werkzaamheid voor de beide verzekeringen legt het ontwerp in handen van een tweetal directeuren, die, hoewel onder den diiecteui-geneiaal werkzaam en verplicht om zich te gedragen naar zijn aanwijzingen, zelfstandig voor de dagelijksche uitvoering van de verzekering zullen zorgen. Met de beide directeuren, de drie adviseurs en den secretaris-generaal vormt de directeur-generaal een adviseerenden Baad, die (behoudens spoedeisehende gevallen) ovei algemeene beschikkingen omtrent het beheer der Bank moet worden gehoord, terwijl van besluiten betreffende algemeene beschikkingen, die van het advies afwijken, door den directeur-generaal kennis moet worden gegeven aan den Minister en aan den Raad.

Naast de ambtenaren, wien het beheer der Bank wordt opgedragen, zal, gelijk thans in de Ongevallenwet, een Eaad van Toezicht staan, belast met het toezicht op den toestand en het beheer der Bank. De Baad van Toezicht zal alle voorstellen aan den Minister en den directeur-generaal kunnen doen, die hij wenschelijk acht. Volgt de directeur-generaal zulk een voorstèl niet, dan zal hij daarvan, met de redenen, kennis moeten geven aan den Minister — die hem eventueel de opvolging zal kunnen bevelen — en aan den Baad. Bij de samenstelling van den Raad zullen de onbezoldigde leden van de Verzekeringsraden de hoofdrol spelen. Afgescheiden van 2 a 4 leden (bijv. deskundigen op financieel of administratief gebied), die door de Kroon zullen worden benoemd, zal de Raad bestaan uit zooveel maal twee leden als er Verzekeringsraden zullen zijn, dus vermoedelijk uit 8 of 10 leden, voor de helft aangewezen door de werkgevers-leden van de Verzekeringsraden, met hunne plaatsvervangers, en voor de andere helft door de arbeiders-leden, mot hunne plaatsvervangers. Slechts voor het geval de kiezers zich niet kunnen verstaan over de keuze van een lid (plaatsvervangend lid) van den Raad van Toezicht, geschiedt de aanwijzing door de Kroon. De Raad kiest zelf zijn voorzitter en secretaris, en wel uit zijn midden; de leden zullen geen bezoldiging genieten, ook niet wanneer zij do functie van voorzitter of secretaris waarnemen.

Op enkele punten schrijft het ontwerp de tusschenkomst van den Raad van Toezicht imperatief voor. Hot jaarverslag zal door zijn tusschenkomst moeten worden ingezonden en de Raad zal worden gehoord over het verleenen van toelagen, ingevolge het ontwerp-Invaliditeitswet door de Bank te verleenen aan inrichtingen of vereenigingen tot verpleging van zieken of herstellenden of op andere wijze in het belang der volksgezondheid werkzaam i), alsmede over beleggingen door welke het belang van de volksgezondheid wordt gebaat.

Staatsbegrootiiig; 1913. (Budget 1913.) In het 3de Hoofdstuk (Departement van Buitenlandsche Zaken) is 1 6 000 uitgetrokken als subsidie aan de Ver een i ging van Neder la ndsche Arbeidsbeurzen, tegen f 3 000 in 1912. Deze verhooging dient om aan de werkzaamheid der arbeidsbeurs te Oberhausen een noodzakelijke uitbreiding te kunnen geven.

In het 4e Hoofdstuk (Departement van Justitie) is f 3 000 uitgetrokken als bijdrage in de kosten voor rechtsb ij stand aan on- en minvermogenden.

In het 5de Hoofdstuk (Departement van Binnenlandsche Zaken) is uitgetrokken:

voor kosten van voorbereiding van voorziening in de behoefte aan drinkwater f30 000;

voor schadeloosstellingen, subsidien en verdere uitgaven tot wering van epidemische en besmet-

!) Zie afl. 5, 1911, bladz. 350.