is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 2, 28-02-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overzicht van vergoedingen, ontheffingen en uitstel, toegekend ter zake van den dienst bij de militie en bij de landweer, gedurende het jaar 1912 ').

(Apergu des allocations, des dispenses et des sursis accordés pour Vannée 1912 aux soldats sous les drapeaux a cause de soutien de familie.)

Het aantal militieplichtigen, naar aanleiding van wier verblijf onder de wapenen op grond van kostwinnerschap eene vergoeding werd toegekend, bedroeg in totaal 12 568 en wel 2 952 voor eerste oefening, c. q. dienst voor het blijvend gedeelte, 9 567 voor herhalingsoefeningen en 49 voor dienst uit anderen hoofde. Aan 2 174 militieplichtigen werd voor eerste oefening, c. q. dienst voor het blijvend gedeelte eene vergoeding toegekend van 10 t/m 50 ets. per dag, aan 604 een van 60 t/m 70 ets., aan 138 een van 80 t/m 90 ets. en aan 36 een van f 1. Deze cijfers bedroegen voor de herhalingsoefeningen resp. 5 007, 3 565, 889 en 106 en voor dienst uit anderen hoofde resp. 23, 14, 10 en 2.

Aan 290 militieplichtigen werd wegens kostwinnerschap ontheffing van den werkelijken dienst verleend, n.1. 228 voor eerste oefening, c. q. dienst voor het blijvend gedeelte en 62 voor herhalingsoefeningen, terwijl aan 63 personen uitstel werd toegestaan in verband met verzoeken om hetzij ontheffing wegens kostwinnerschap, hetzij vergoeding (1 voor eerste oefening, c. q. dienst voor het blijvend gedeelte en 62 voor herhalingsoefeningen).

Het aantal landweerplichtigen, naar aanleiding van wier verblijf onder de wapenen, op grond van kostwinnerschap eene vergoeding werd toegekend, bedroeg in totaal 11 578 en wel 11 559 ingevolge art. 11 en 19 ingevolge overige artt. der Landweerwet. Aan 1 824 landweerplichtigen werd ingevolge art. 11 eene vergoeding toegekend van 10 t/m 50 ets. per dag, aan 4 843 eene van 60 t/m 70 ets., aan 2 709 eene van 80 t/m 90 ets., aan 1 116 eene van f 1,— en aan 1067 eene van f 1,10 t/m f 1,50. Deze cijfers bedroegen ingevolge de overige artt. resp. 2, 3, 8, 3 en 3.

Aan 106 landweerplichtigen werd ingevolge art. 11 wegens kostwinnerschap ontheffing van den werkelijken dienst verleend, terwijl aan 51 personen uitstel werd toegestaan.

Loonregeling der beambten en werklieden bij de Spoorwegmaatschappijen.

(Salaires des employés et des ouvriers des chemins de fer, 1913.)

Door den Minister van Waterstaat zijn voor de beambten en werklieden bij de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de Nederlandsche Centraal Spoorwegmaatschappij nieuwe loonregelingen vastgesteld, ter vervanging van die van 1911. 2) De loonregeling van eerstgenoemde Maatschappij werd vastgesteld bij beschikking van 7 December 1912 en die van laatstgenoemde bij beschikking van 14 December d.a.v. Zij traden op 1 Januari 1913 in werking.

De achter in deze aflevering geplaatste tabellen, aan bovengenoemde loonregelingen ontleend, stellen tot vergelijking met de regelingen van 1907 (zie afl. 8, 1907, blz. 59 en vlg.) en 1911 (zie afl. 5, 1911, blz. CCXXVIII) in staat.

Art. 35 der Leerplichtwet.

(Subventions des communes selon l'article 35 de la loi sur l'enseignement obligatoire.)

Ten vervolge op het in Afl. VI, blz. 239, Afl. XI, blz. 287, Afl. XV, blz. 164 van het Tijdschrift, Afl. V, blz. 43 van het Maandschrift (1906), Afl. II, blz. 62, Afl. XII, blz. 58 (1908), Afl. XII, blz. 1363 (1909), Afl. II, blz. 138 en Afl. XII, blz. 812 (1911) medegedeelde omtrent hetgeen in de jaren 1902 en volgende in verschillende gemeenten van ons land geschied is ter uitvoering van art. 35 der Leerplichtwet, volge hieronder een staatje3), dat een blik geeft op de verrichtingen gedurende het jaar 1911. Zooals uit vergelijking der staatjes over de jaren 1902 tot 1911 blijkt, bedraagt het aantal gemeenten, dat gelden uitgaf voor het verstrekken van voeding en kleeding aan schoolgaande kinderen in deze jaren

!) Voor vroegere jaren zij verwezen naar afl. 5, 1906, blz. 37; afl. 2, 1907, blz. 38; afl. 1, 1908, blz. 63, afl. 4, 1909, blz. 448, afl. 3, 1910, blz. 276, afl. 3, 1911, blz. 220 en afl. 2, 1912, blz. 139.

2) Zie afl. 1, 1913, bladz. i.

3) Opgaven van het Departement van Binnenlandsche Zaken.