is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 3, 28-03-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aan de beroepsstatistiek van nieuw toegetreden inleggers is nog het volgende ontleend.

In 1910 zijn door 126 spaarbanken de beroepen aangegeven van 154 114 nieuwe inleggers, waarvan 129192 van de Rijkspostspaarbank en 24 922 van de overige spaarbanken. In het jaar 1910 waren onder de nieuwe inleggers 1 548 vereenigingen. De overblijvende nieuwe inleggers zijn in onderstaand staatje over een 5-tal beroepsgroepen aldus gesplitst, dat kan blijken, hoeveel nieuwe inleggers behooren tot de werklieden in elk dier groepen werkzaam en tot de minderjarigen, wier kostwinners daarin werkzaam zijn.

======= j 19ÏO

Inleggers werkzaam in of behoorende tot. Kostwinners nwo«i

(Bémnts « „ professionnels.) van —£nge Totaal.

Déposants mineurs.)

Nijverlieidsbedrijven H? *7 100 470

Landbouw, visscherij en jacht 9 1 7 129 16 f'ï

Handel. 20416 14609 3a 025

Vrije beroepen, onderwijs, ambten of bedieningen. 10 653 4 942 15 595 Personen, huiselijke diensten verrichtende, losse werklieden, gepensionneerden en personen, zon-

der beroep 30 ^7 5 898 ;

Totaal 99 757 50 342 150 099

Ten einde den lezer in staat te stellen zich een denkbeeld te vormen van de ontwikkeling der boerenleenbanken is onderstaand staatje uit de statistiek overgenomen.

tr , ,, Verschuldigd

Inlagen. Uitbetalingen. voorschotten. aan de jnieggers.

' {A 'es) (Versements.) (Remboursements.) (Avances faites.) ^aux déposants.) X f 1000. X f 1000- I X f ïooo. X f 1000-

1901 853 395 422 964

1905 4 528 3 081 1 885 5 175

1910 21 775 17 518 8 328 29 930

Voor meerdere bijzonderheden omtrent de spaarbanken en boerenleenbanken, alsook voor gegevens betreffende de spaarkassen, de hulpbanken en de banken van leening moge naar de. publicatie zelve worden verwezen.

Qevangenisstatistiek 1911. ')

(.Statistique penitentiaire des Pays-Bas 1911.)

Aan bovenbedoelde, door het Bureau onlangs in het licht gegeven statistiek,

is het volgende ontleend. „ . , , ..

Bevolking en verblijf dagen. Het aantal in 1911 nieuw uit de vrije maatschappij in de verschillende soorten van gestichten opgenomen personen bedroeg 25 741 mannen en 1 904 vrouwen (resp. 28111 en 1 804 in 1910), waarvan het grootste deel in de Huizen van Bewaring, nl. 21 113 mannen en 1 592 vrouwen.tegen resp 23 138 mannen en 1 413 vrouwen in 1910. De bevolking op 31 December 1911 van de gezamenlijke gestichten bedroeg 4 768 mannen en 180 vrouwen, te zamen 4 948 personen tegen 5 468 op 31 December 1910. De ^a/e bevolking, welke in den loop van het jaar aanwezig is geweest, bedroeg in 1911 3/y^ (43 382 in 1910), nl. 35 693 mannen en 2 239 vrouwen.

Een vrij sterke daling valt te constateeren voor de totale bevolking der Huizen van Bewaring in de Arr. Hoofdplaatsen, nl. 23 491 in 1911 tegen

i) Zie voor 1910 afl. 1, 1912, bladz. 60.