is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 5, 30-05-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het totaal der lasten van de verzekering over het jaar 1907 met inbegrip van de contante waarde der toegekende renten, doch met uitsluiting der administratiekosten bedroeg f 5 617 086,705 (1906: f 5 620 778.805). Hiervan kwam voor rekening der Rijksverzekeringsbank f 2 505 723.345 (1906: f 2 056 668,36, voor rekening der naamlooze vennootschappen of vereenigingen f 2 799 426,20 (1906: f 3 245640,79) en voor rekening der eigen-risico-dragende werkgevers f 311 937,16 (1906:

f 318 469,655). „ ^ ,

Niettegenstaande de vermeerdering van het aantal ongevallen met 7 pLt. is de belasting nagenoeg gelijk gebleven aan die van 1906, hetgeen te danken is aan de verminderde frequentie der meest ernstige ongevallen.

De administratiekosten bedroegen over 1907 f 1 207 682,865 en over 1906 f 1 097 421.il5 of resp. 21,5 en 19,5 pCt. van de totale belasting door schadeloosstellingen. Ten laste van de Rijksverzekeringsbank kwam f 562 782,16 (1906: f 507 025,36), voor rekening van naamlooze vennootschappen of vereenigingen en van de eigen-risico-dragende werkgevers f 223 781,605 (1906: f 293 173,145). T en opzichte van de belasting door schadeloosstellingen bedroegen de administratiekosten — uitgedrukt in percenten — in de jaren 1903—1907 voor de Rijksverzekeringsbank resp. 5,7, 15,2, 26,8, 24,7 en 22,5 en voor de overige risico-dragers resp. 9,5, 8,2, 8,2, 8,2 en 9,1 pCt.

De premiën volgens het tarief, berekend over de loonen der werklieden, verzekerd voor risico der Rijksverzekeringsbank, bedroegen f 1 962 048,15, voor risico van naamlooze vennootschappen of vereenigingen f4135 783,05, voor risico van den werkgever f 790 688,66, totaal f 6 888 519,86. De totale belasting met inbegrip van de administratiekosten bedroeg resp. f 3 068 505,505, f 3 035 251,095 f 359 893,87 en f 6 463 650,47. Het tarief der Rijksverzekeringsbank zou dus over de verzekerden voor risico der Rijksverzekeringsbank aanleiding hebben gegeven tot een tekort van f 1 106 457,35 of 36 pCt. van de bruto-belasting over de verzekerden, voor naamlooze vennootschappen of vereenigingen tot een overschot van f 1 100 531,955 of 36 pCt. van de bruto-belasting, voor de verzekerden voor risico van den werkgever tot een overschot van f 430 794,79 of 118 pCt. van de bruto-belasting en voor alle verzekerden te zamen tot een overschot van f 424 869,39 of 7 pCt. van de bruto-belasting.

Indien de administratiekosten buiten beschouwing worden gelaten, bedragen de kosten van een ongeval, waarvoor eenige schadeloosstelling werd verleend, gemiddeld in de jaren 1903-1907 resp. f 94,99, f 97,94, f96,30, f91,05 en f85,33. Onderscheiden naar den risico-drager, bedragen deze gemiddelden voor de:

1903 1904 1905 1906 1907

Rijksverzekeringsbank ... f 102,78 f 112,58 f 114,34 f 115,67 f 102,56

naamlooze vennootschappen

of vereenigingen .... „ 90,66 „ 94,24 „ 89,24 „ 80,93 „ 74,70

eieen-risico-dragende werk-

gevers „ 99,97 „ 78,27 „ 91,28 „ 82,68 . „ 79 54

In deze cijfers treedt opnieuw aan het licht de verbetering, welke zich in het jaar 1907 voordeed ten aanzien van de gevolgen der voorgekomen ongevallen. Ook komt dit uit in de kapitaalwaarden van voorloopig toegekende renten. Gedurende 1903—1906 varieerden de gemiddelde kosten der verdere geldehjke schadeloosstelling van ongevallen na het einde van de 6e week per één gulden uitkeering tusschen f 496 a f 461; over 1907 was dit slechts f 408.

Het gemiddelde percentage, dat de totale netto-belasting in het totale verzekerde loon uitdrukt, bedroeg in de jaren 1903—1907 achtereenvolgens 1,54, 1,82, 1,91, 2,00 en 1,92 pCt.

Arbeidersbudgets.

(Budgets de ménages ouvriers.)

Door de Sociaal-Democratische Studie-club te Amsterdam is het rapport (No. 69) gepubliceerd eener enquête naar de levensomstandigheden van een aantal arbeidersgezinnen, zooals deze kunnen blijken uit de jaarbudgets dezer gezinnen.

In de Inleiding wordt gewezen op de groote beteekenis van het onderzoek naar de huishoudelijke uitgaven van arbeidersgezinnen en in het kort vermeld wat in ons land en in het buitenland op dit gebied is gepubliceerd.

Het onderzoek van de S. D. S. C. heeft geloopen over de 12 maanden, liggende tusschen 1 Juni 1910 en 31 Mei 1911 en strekte zich uit tot 70 van de 131 gezin-