is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 9, 30-09-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat op deze wijze eenige zekerheid was verkregen omtrent het aantal bestaande en vroegere contracten, werden vragenlijsten gezonden aan alle werkgevers, werkgevers-organisaties en vakvereenigingen, die een collectieve arbeidsovereenkomst hadden gesloten. De terugzending der vragenlijsten geschiedde uiterst langzaam en de invulling liet heel wat te wenschen over. In het bijzonder een der belangrijkste vragen — n.1. die betreffende het aantal arbeiders en werkgevers, die onder de bepalingen der collectieve arbeidsovereenkomst vallen — werd meermalen onbeantwoord gelaten. Ook vielen vaak verschillen te constateeren tusschen de opgaven van de(n) patroon(sorganisatie) en die der vakvereenigingen of tusschen die der vakvereenigingen onderling. De indruk werd gevestigd, dat de contracteerende partijen zelve dikwijls niet bij benadering wisten over hoeveel werkgevers en arbeiders zich de werking der collectieve arbeidsovereenkomst uitstrekte. Zooveel mogelijk werd getracht overeenstemming te brengen tusschen tegenstrijdige opgaven. Enkele malen werd daartoe de hulp eener Kamer van arbeid ingeroepen, doch ook deze lichamen konden niet altijd betrouwbare gegevens verstrekken. De cijfers, die thans gepubliceerd worden, mogen dan ook slechts als bij benadering juist worden aangemerkt.

Behalve deze, eene zeer uitgebreide correspondentie en daardoor groote vertraging meebrengende, moeilijkheden, die alle samenhingen met de verzameling van het materiaal, waren er nog andere, die mede ten gevolge hadden, dat dit overzicht veel later gepubliceerd wordt dan aanvankelijk het plan was. Immers niet altijd bleek het even gemakkelijk uit te maken of een regeling, waaromtrent overeenstemming was verkregen tusschen werkgevers en arbeiders inderdaad een collectieve arbeidsovereenkomst was. Partijen hadden zich niet steeds een heldere voorstelling gemaakt van haar handelingen, zoodat het voorkwam, dat een regeling, die door het Bureau als collectieve arbeidsovereenkomst was aangemerkt, door partijen niet als zoodanig werd beschouwd. Met name deed zich dit voor bij een regeling voor het timmerliedenbedrijf te Heerenveen en voor het boekbindersbedrijf te 's-Gravenhage. Toch zijn deze beide regelingen ten slotte als collectieve arbeidsovereenkomsten aangemerkt. Als criterium in deze en dergelijke gevallen werd aangenomen de definitie, die het tweede lid van artikel 1637/z B. W. van het begrip collectieve arbeidsovereenkomst geeft. Deze definitie luidt als volgt:

„Óiider collectieve arbeidsovereenkomst wordt verstaan eene regeling, getroffen „door een of meer werkgevers of eene of meer rechtspersoonlijkheid bezittende „vereenigingen van werkgevers, met eene of meer rechtspersoonlijkheid bezittende „vereenigingen van arbeiders, omtrent arbeidsvoorwaarden, bij het aangaan van „arbeidsovereenkomsten in acht te nemen".

Alleen in zooverre werd van deze begripsbepaling afgeweken, dat ook indien de vereeniging(en) geen rechtspersoonlijkheid bezat(en), de regeling toch als een collectieve arbeidsovereenkomst is beschouwd, omdat bij het ingestelde onderzoek de sociaal-economische beteekenis van het instituut der collectieve arbeidsovereenkomst voorop behoorde te staan. Evenwel is in de chronologische lijst van alle ter kennis van het Bureau gekomen collectieve arbeidsovereenkomsten uitdrukkelijk vermeld, bij welke de rechtspersoonlijkheid der contracteerende vereenigingen) ontbreekt.

In verband met het aangenomen beginsel om zooveel mogelijk vast te houden aan de definitie van artikel 1637/z B. W., zijn niet als collectieve arbeidsovereenkomsten beschouwd regelingen, al dan niet naar aanleiding van een werkstaking of uitsluiting, opgesteld door Kamers van arbeid of verzoeningsraden, indien partijen ze zonder meer stilzwijgend aanvaard hebben of er zich bij hebben neergelegd. Alléén indien partijen zulk een regeling onderteekend hebben, is zij als collectieve arbeidsovereenkomst aangemerkt.

Evenmin zijn als collectieve arbeidsovereenkomsten beschouwd door vakvereenigingen opgestelde regelingen omtrent arbeidsvoorwaarden, op welker invoering bij de verschillende werkgevers werd aangedrongen en die na verloop van tijd als algemeen geldend konden worden beschouwd. Speciaal in het typografenbedrijf zijn op deze wijze vaak zéér uitvoerige regelingen tot de algemeen geldende in een gemeente geworden. Somtijds werd, nadat eenige jaren zulk een toestand bestaan had, tusschen partijen een formeele collectieve arbeidsovereenkomst gesloten, bijvoorbeeld in het typografen-bedrijf te Rotterdam in 1911.

Artikel 1637n B.W. schrijft niet voor, dat een collectieve arbeidsovereenkomst schriftelijk moet worden aangegaan. Het spreekt vanzelf, dat partijen in den regel het overeengekomene op schrift stellen en onderteekenen; bepaaldelijk in die gevallen, waarin zij ook inderdaad de bedoeling hadden een collectieve