is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 8, 1913, no 10, 30-10-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ten slotte zij nog vermeld, dat niet alleen van uit de grensgebieden, doch zelfs uit Friesland een groote trek bestaat naar Duitschland; voor een groot deel zijn deze arbeiders, vooral uit Limburg, behulpzaam bij de steenbakkerijen.

Uit een overzicht van de loonen der arbeiders in verschillende deelen des lands blijkt, dat in Noord-Holland voor volwassen arbeiders de loonen het hoogst zijn; deze varieëren in de verschillende gebieden tusschen f 580 en f513 per jaar. Voor de mannelijke inwonende dienstboden geeft daarentegen Zuid-Holland de hoogste cijfers, n.1. f 313 en f 201 en voor de vrouwelijke inwonenden Limburg, n.1. f 240 en f 135. De laagste loonen voor arbeiders en inwonend vrouwelijk personeel vindt men in Drenthe en voor het inwonend mannelijk personeel in Gelderland. Voorts blijkt, dat in de provincies Groningen en Friesland in de weidestreken aanmerkelijk hoogere loonen betaald worden, dan in de zandgebieden; voor de overige provinciën geldt dit echter niet zoo algemeen. In de tuinbouwgebieden behooren de loonen der volwassen arbeiders en der inwonende mannelijke dienstboden tot de hoogste; ook op de loonen der vrouwelijke inwonende dienstboden schijnt dit invloed te hebben, daar ook deze in alle tuinbouwgebieden in verhouding hoog te noemen zijn.

Eene bijdrage betreffende landarbeidersbudgets, steunend op een onderzoek naar alle inkomsten en uitgaven van een twintig- a dertigtal landarbeidersgezinnen uit de verschillende deelen van ons land, leert dat het zuiver inkomen van het gezin blijkt te loopen van f 470,06 tot f 1 878.645. Schakelt men de gevallen, waarin exceptioneele omstandigheden de grootte van de inkomsten bepaalden uit, dan beweegt zich het gezinsinkomen tusschen f 470,06 en f 775,56.

Dit resultaat is gunstiger dan naar de in 1906—1907 ingestelde enquête der Staatscommissie voor den Landbouw mocht worden verwacht. Men verlieze echter niet uit het oog, dat de loonen, en de prijzen der levensbehoeften ook, sedert de enquête der Staatscommissie niet onbelangrijk zijn gestegen en dat de arbeiders, die de gegevens hebben verstrekt, behooren tot de flinkste en meest ontwikkelde in hun stand. Bovendien heeft de geregelde, nauwkeurige aanteekening van alle ontvangsten en uitgaven waarschijnlijk gewerkt als een prikkel tot zuinigheid en overleg. Nog een andere belangrijke conclusie mag, volgens den rapporteur, ongetwijfeld uit de verkregen gegevens worden getrokken, nl. deze, dat een gezonde jonge arbeider met zijn vrouw en eenige jonge kinderen, zonder bijzondere tegenspoeden, tegenwoordig wel zooveel kunnen verdienen, om, levende in een uiterst bescheiden, zij het nette, éénkamerwoning, zich gezond, zij het heel sober, te kunnen voeden en behoorlijk te kunnen kleeden, maar dat dan ook voor eenige luxe en voor ontwikkeling en ontspanning zoo goed als niets overblijft. Hieruit volgt, dat, bij eenigen tegenspoed of bij minder huishoudelijk overleg der vrouw, op de noodzakelijke levensbehoeften moet worden bezuinigd en dan vrij zeker ten koste van den physieken toestand van het gezin. Menschen zonder kleine kinderen en vooral met volwassen kinderen, die het loon in het ouderlijk gezm brengen, verkeeren uiteraard in veel beteren toestand. Treffend is, dat over't geheel genomen de gezinnen, met een eenigszins belangrijk eigen bedrijfje, in gunstiger omstandigheden verkeeren dan die, welke hoofdzakelijk moesten steunen op loonarbeid en ook dat de budgets met een zuivere winst van meer dan f 100,—, afkomstig zijn van arbeiders met een dergelijk bedrijfje. Hieruit mag uiteraard met worden afgeleid, dat dit steeds het geval is. , , ....

In een naschrift wordt door een der samenstellers van bovenbedoelde bijdrage opgemerkt, dat de hiervoren gegeven schildering vrij donker is, doch dat z.i. uit de verkregen resultaten mag worden opgemaakt, dat de werkelijkheid nog erger is. Een gevoelige graadmeter voor den meerderen of minderen welstand is n.1. zeer zeker het cijfer dat de totaalsom der jaarlijks verbruikte zuivere voedingsmiddelen weergeeft van elk gezin. Uit de cijfers nu blijkt, dat het verbruik bij de verschillende gezinnen zeer uiteenloopt. Eene vergelijking van het verbruik van voedsel in twee nagenoeg gelijk samengestelde gezinnen van beide 8 personen, doet zien, dat het eene gezin bijna tweemaal zooveel voedsel verbruikt dan het andere. Oorzaak hiervan is ongetwijfeld, dat het totaal-inkomen van het eene gezin bedroeg f 1 008,775 en van het andere f 720,915. Uit de overige budgets blijkt, dat het iaarlijksch verbruik per hoofd aan voedingsmiddelen van tien der arbeidersgezinnen varieert van f33,11 tot f42,40 of van 9 tot 11,7 cents per dag, welk bedrag dan opklimt tot 36,8 cents per dag bij een gezin waarin volwassen kinderen een belangrijk bedrag aan loon inbrengen. Met dergelijke cijfers voor oogen kan z.i. niet gezegd worden, dat de landarbeiders zich, zonder tegenspoeden „gezond kunnen voeden". Integendeel krijgt het vermoeden groote waarschijnlijkheid, dat