is toegevoegd aan je favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 9, 1913, no 12, 29-01-1913

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Contracten. Arbeiders.

Schadevergoeding voor ongevallen gedurende den wachttijd ... 63 7 237

Ziektegeld per dag 11 598

Subsidie aan een ziekeukas 12 1 372

Kostelooze geneeskundige hulp, verpleging iu een ziekenhuis, geneesmiddelen enz 66 7 990

In 1912 is dus in niet minder dan 255 contracten met 26 025 werklieden bepaald, dat ook in den wachttijd schadevergoeding bij ongevallen zal worden uitgekeerd. >

Onder de bepalingen betreffende de regeling van het werk en de organisatie, treedt artikel 23 der statuten van de Zweedsche werkgeversvereniging op den voorgrond, hetwelk den werkgevers het recht voorbehoudt naar vrije keuze arbeiders in dienst te nemen en te ontslaan, den arbeid te regelen en te verdeelen, en zoowel georganiseerden als niet-georganiseerden in dienst te hebben. Bepalingen overeenkomstig dit artikel, met of zonder beperking, komen voor in 160 contracten met 20 810 arbeiders of 70,3 pCt. van het totaal, tegen resp. 48,3 en 82,5 pCt. bij de op het eind van 1907 en 1911 van kracht zijnde collectieve contracten. Echter heeft men in 1912 in 145 contracten met 19 477 arbeiders aan dit artikel bepalingen meénen te moeten toevoegen overeenkomstig het „vergelijk van December 1906", dat het verenigingsrecht waarborgt en krachtens hetwelk een ontslag, waarbij op dit recht inbreuk gemaakt zou zijn, voorwerp van een onderzoek kan vormen.

Bovendien behelzen nog 31 contracten met 2 396 arbeiders bepalingen, om het vrije vereenigingsrecht te waarborgen, zoodat dergelijke bepalingen in het geheel voorkomen in 176 der contracten van 1912 met 21 873 arbeiders (83 pCt. van het totaal).

Bepalingen betreffende den duur van den leertijd en de positie der leerlingen komen voor in 85 contracten met 4 195 arbeiders.

Wet op de verplichte ouderdoms- en invaliditeitsverzekering.1)

(Loi sur Vassurance contre l'invalidité et la vieillesse.)

Den 30sten Juni 1913 is de wet op de invaliditeits- en ouderdomsverzekering afgekondigd. In het ontwerp (zie afl. 6, 1913, blz. 399) zijn hoofdzakelijk de volgende wijzigingen aangebracht. De te storten premie bedraagt, al naar gelang het jaarljjksch inkomen minder dan 500 Kr., 500 tot 800 Kr., 800 tot 1 200 Kr. of meer dan 1 200 Kr. beloopt, 3, 5, 8 of 13 Kr. per jaar.

De rente bedraagt per jaar voor mannen 30 en voor vrouwen 24 pCt. van het totaal der gestorte premies. Op de invaliditeitsrente wordt aan mannen, wier jaarlijksch inkomen minder dan 300 Kr. en aan vrouwen, wier jaarlijksch inkomen minder dan 280 Kr. bedraagt, een' toeslag uit de openbare kas gegeven. Deze toeslag bedraagt voor mannen en vrouwen, die in het geheel geen inkomen hebben, of wier jaarlijksch inkomen ten hoogste 50 Kr. bedraagt, resp. 150 en 140 Kr., en voor hen, wier inkomen meer bedraagt, eveneens resp. 150 en 140 Kr., verminderd met de helft van het jaarlijksch inkomen, met dien verstande, dat voor hen wier jaarlijksch inkomen meer dan 50 doch minder dan 100 Kr. bedraagt de vermindering zich slechts uitstrekt over dat deel van het inkomen, hetwelk meer bedraagt dan 50 Kr. Bovendien wordt voor elke Kr. der overeenkomstig een aantal voorschriften van administratieven aard op regelmatige wijze betaalde premies de toeslag met 0,08 pCt. verhoogd. Van den toeslag wordt 3/4 door den Staat en het overige door de provincie en de gemeente betaald. De in het ontwerp voorkomende bepalingen omtrent de toelagen in gemeenten met hoogeren levensstandaard zijn niet tot wet geworden.

De vrijwillige premie voor hem, die zich een hoogere rente wil verzekeren bedraagt per jaar ten minste 1 Kr. en ten hoogste 30 Kr. Wegens deze stortingen zal een jaarrente worden toegekend, voor een man ten bedrage van l'/2 pCt. van elke vrijwillige premie voor elk vol jaar verloopen tusschen de betaling der premie en de verleening van het pensioen, voor een vrouw ten bedrage van 5/e van de jaarrente van een man. De in het ontwerp voorkomende bepaling omtrent de verhooging dezer jaarrente voor hen, die een toeslag op hun pensioen genieten, is niet tot wet geworden. De wet treedt 1 Januari 1914 in werking, behalve de bepalingen van organisatorischen aard die reeds sedert 1 Septèmber 1913 gelden.

l) Reichs-Arbeitsblatt van November 1913.

8*