is toegevoegd aan uw favorieten.

Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek = Revue mensuelle du Bureau Central de Statistique du Royaume des Pays-Bas, jrg 19, 1924, no 8, 30-09-1924

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De aandacht zij verder nog gevestigd op de wet van 6 Maart 1924 ;l) vn> ' • tot regeling van de sociale verzekering in Bulgarije. Hierbij is ingevoerd een systeem van verplichte verzekering, dat allen, die tegen loon arbeid verrichten, omvat en waarbij de uitvoering der verschillende takken van verzekering — tegen ziekte, bevalling, ongevallen, invaliditeit en ouderdom — onder één centraal beheer gebracht zijn.

Ten slotte werd in Denemarken 2) op 29 Maart 1924 een wet tot wijziging en aanvulling van de wet op de verzekering tegen invaliditeit van kracht. Volgens voorschriften daarvan kan de Minister van Binnenlandsche Zaken een regeling treffen, welke het mogelijk maakt, dat leden van een ziekenkas, die aan een dikwijls terugkeerende of ongeneeselijke ziekte of aan lichaamszwakte lijden, in de invaliditeitsverzekering worden opgenomen. Zij, die aan een lichteren vorm van deze ziekte lijden, zullen in huil hoedanigheid als lid van een ziekenfonds van rechtswege tegen invaliditeit verzekerd zijn, terwijl zij, die aan ziekten van ernstigen aard lijden, verplicht zullen zijn om bij hun verzoek om opname in het ziekenfonds tevens opname in de invaliditeitsverzekering te vragen.

Volkshuisvesting:.

G r o o t-B ritann i ë. Behandeling van het woningbouwprogram der Regeering; behandeling van het ontwerp tot verlenging van de Huurwet. Duitse h land. De huurbelastingen in Pruisen ; Bond van Buitenlandsehe Huiseigenaren. Tsjech oS 1 o w a k y e. Aanneming van de wet tot

verlenging van de Huurwet en van de wet nopens gerechtelijke uitzetting van huurders.

In Engeland nam de behandeling in het Lagerhuis van de plannen der Regeering voor den woningbouw het geheele tweede kwartaal in beslag. Omstreeks half April verscheen het rapport van de Commissie, belast met het uitwerken van een plan tot bestrijding van den woningnood. De commissie zag het vraagstuk vooral als een van tekort aan arbeidskracht. Om het aantal bouwvakarbeiders op te voeren was het noodig het vertrouwen der arbeiders in het bouwvak, door de omstandigheden verloren, weer te herstellen; verder moest de opleiding ruimer worden opengesteld en gemakkelijker gemaakt worden. Mede om deze redenen was een verdeeling van den bouw over een reeks van jaren (15 meende de commissie) nöodig. In de eerste jaren zou de productie de nieuwe jaarlijksche behoefte niet geheel kunnen bestrijden, maar geleidelijk zou de productie oploopen', tot in 1934 een aantal van 225 000 woningen per jaar bereikt zöu zijn.

Dit program, dat de Minister tot het zijne maakte, ondervond van conservatieve en liberale zijde op verschillende punten kritiek. Het bouwen zou op deze wijze veel te langzaam gaan: alleen voor den bevolkingsaanwas waren per jaar 120 000 nieuwe woningen noodig; voorts waren ongeveer een millioen krotten op te ruimen. Ten minste zouden per jaar 200 000 woningen noodig zijn. Het cijfer 120 000 zou pas in 1928 bereikt worden. Men maakte bezwaar tegen den langen duur van de opleiding, de beperking van den leeftijd voor het toelaten van leerlingen tot 20 jaar, het geringe aantal geschoolden, dat de commissie voorstelde nog in het vak toe te laten. In den oorlog waren de arbeiders voor gecompliceerde werkzaamheden in veel korter tijd klaargemaakt; er liepen nog groote aantallen voormalige arbeiders in de oorlogsindustrieën werkloos rond, waarom dezen niet een kortere opleiding te geven? Ook vreesde men, dat de door de commissie gewenschte bescherming van de binnenlandsche nijverheid, door buitenlandsehe materialen uit te sluiten, zou leiden tot trustvorming en prijsopdrijving; de binnenlandsche nijverheid was bovendien niet in staat aan de groote vraag, die bij de uitvoering van het plan zou optreden, te voldoen. Sommigen zagen zelfs in het geheele plan van de commissie een samenspanning tusschen werkgevers en werknemers om van den buitengewonen toestand zooveel mogelijk partij te trekken. Daarbij werd zelfs geen poiging gedaan om onnoodigen of luxebouw te beperken. 3)

Op 8 en 9 Mei had de Minister een bespreking met de afgevaardigden de plaatselijke besturen. Daarop wenden de volgende wensehen geuit, waarmede de Minister zich in hoofdzaak kon vereenigen; 1. De plaatselijke besturen zouden het recht hebben het aantal woningen, dat binnen hun gebied gebouwd zouden worden, zelf vast te stellen ■— met inachtneming van het door de Regeering vast te stellen maximum —, en den aanbouw geheel stop te zetten indien zij dit om de eene of andere reden

1) Industrial and Labour Information, Vol. X, no. 9.

2) Social Forsorg, April 1924.

3) Manchester Guardian van 17 April 1924, blz. 9.

V, G33.