Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het jaar 1918, met zijne hooge sterfte, tengevolge van de griep-epidemie, waarop bij de sterfte naar den leeftijd en naar de doodsoorzaken zal worden teruggekomen, wijst een sterftecijfer aan van ruim 17 per 1000, een cijfer, dat in geen 16 jaar was voorgekomen. Als men echter de griep-epidemie en hare gevolgen buiten rekening zou laten, dan zou aan het licht treden, dat de overige sterfte niet zoo heel ongunstig is geweest, al komt men dan toch ook tot een eenigszins hooger cijfer dan in 1917. Ook daarover hierna meer.

Uit de cijfers dezer tabel blijkt in de eerste plaats, dat voor het geheele Rijk het relatieve sterftecijfer van 1900—1913 van jaar tot jaar bijna zonder uitzondering afnemende is; de cijfers voor de jaren 1904, 1908, 1911 en vooral dit laatste, onderbreken eenigszins die geregelde daling. De belangrijke daling in 1909 heeft de stijging in 1908 geheel te niet gedaan, evenals de daling van 1912 de sterke stijging van 1911. In de eerste 4 oorlogsjaren had weder eene geringe stijging plaats, maar deze bracht het cijfer in 1917 toch nog niet terug tot dat van 1910.

Die daling van het sterftecijfer vóór 1912 is niet van de laatste jaren, doch dagteekent reeds van veel vroeger, al is eigenlijk eerst omstreeks het begin der periode 1870—79 (n. 1. in 1871) een voortdurende daling ingetreden.

De loop der sterftecijfers in gemiddelden sedert 1840 blijkt uit de volgende getallen-reeksen.

Aantal sterfgevallen per 1000 zielen (gem. bev.) per jaar.

Gemiddelde afneming per jaar en per 1000 Gemiddeld in 1840-1849 . . . . 26.56 — Tl V 1850—1859 . . . . 25.49 1.07 ?) V 1860—1869 . . . . 24.80 0.69 J? ri 1870 - 1879 . . . . 24.49 0.31 D n 1880—1889 . . . . 21.27 3.22 1) n 1890—1899 . . . . 18.67 2.60 7! f> 1900-1909 . . . . 15.69 1.98 » Y) 1910—1914 . . . . 13.01 2.68 1915 . . . . 12.45 0.56 1916 . . . . 12.89 — 0.44 1917 . . . . 13.12 — 0.23 1918 . . . . 17.10 — 3.98

De afneming van het relatieve sterftecijfer, die bij beide geslachten heeft plaats gehad, is in de laatste perioden in den regel meer de mannelijke dan de vrouwelijke bevolking ten goede gekomen, zoodat, daar de vrouwen steeds ^ene lagere relatieve sterfte dan de mannen hebben, het verschil der sterfte-quotienten bij de beide geslachten sedert 1890 belangrijk minder is geworden.

Ook de grootere sterfte in 1904 en in 1908 heeft meer het vrouwelijk geslacht dan het mannelijke getroffen; die van 1911 en 1914—1918 is echtei iets minder gunstig voor het mannelijk geslacht geweest, zoodat de verschillen in de sterfte der beide geslachten in die jaren weder eenigszins grooter zijn geworden.

Aantal sterfgevallen per 1000 van elk geslacht. De sterfte der beide geslachten in 1840/9 = 100 gesteld, stierven: Gemiddeld. Mannen. Vrouwen. Verschil. Mannen. Vrouwen. 1840—49 27.74 25.68 2.06 100.— 100.— 1850- 59 26.23 24.94 1.36 94.6 96.9 1860-69 25.40 24.22 1.18 91.9 94.6 1870-79 25.28 23.57 1.71 91.4 92.1 1880-89 22.19 20.39 1.80 80.3 79.7 1890—99 19.36 17.87 1.49 70.0 69.8 1900 -09 16.24 15.02 1.22 58.6 58.1 1910—14 13.36 12.66 0.70 48.2 49.3 1915 12.69 12.22 0.47 45.7 47.6 1916 13.16 12.63 0.53 47.4 49.2 1917 13.40 12.84 0.56 48.3 50.0 1918 17.54 16.66 0.88 63.2 64.9