is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 14, 1933, no 12, 1933

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ADRESSEN

WIJZIGING VAN DE WONINGWET AAN DE TWEEDE KAMER DER STATEN GENERAAL

Het bestuur van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw heeft met belangstelling kennis genomen van het wetsontwerp tot wijziging der Woningwet. Het veroorlooft zich naar aanleiding daarvan de volgende overwegingen te Uwer kennis te brengen, die door de overgroote meerderheid van het bestuur worden gedeeld.

Art. 11. Het bestuur vraagt zich, de bedoeling van de voorgestelde inlassching van d, in het tweede lid van art. 6 waardeerend, af of voor deze inlassching reden bestaat.

De vraag kan n.l. worden gesteld of de monumentenverordeningen niet reeds vallen onder de bepaling van art. I der wet, voorzoover zij verbieden, zonder toestemming van B. en W. veranderingen aan te brengen in het uiterlijk aanzien van gebouwen. Dit zal als regel niet mogelijk zijn zonder dat daden worden verricht, welke vallen onder „het geheel of voor een gedeelte vernieuwen, of veranderen of het uitbreiden” van woningen of andere gebouwen. Daarentegen valt het verbod van „sloopen en aan het oog onttrekken” niet onder art. i der Woningwet en mogelijk ook het aanbrengen van kleine veranderingen in het perceel niet. Het verdient derhalve naar het oordeel van het bestuur overweging, achter de voorgestelde nieuwe littera d. toe te voegen, „voorzoover deze verordening voorschriften bevat, welke niet begrepen zijn onder die, genoemd in art. i”.

Artt. V, VI en VIL Adressant veroorlooft zich in heritmering te brengen het door Zijne Excellentie den Minister van Sociale Zaken met instemming ontvangen denkbeeld om zich vrij vormende maatschappelijke kringen een deel van den arbeid der gezondheidscommissies te doen overnemen. Ons bestuur, vertrouwende dat zich inderdaad dergelijke „kringen” zullen vormen, is van meening dat de arbeid van deze slechts dan voldoende tot zijn recht zal komen, indien aan die organen bij de wet inzake de toepassing van de § § 3 en 4 der Woningwet een bevoegdheid wordt verleend, ongeveer gelijk aan die, welke thans de gezondheidscomissies bezitten. Hiertegen behoeft geen bezwaar te bestaan, zoo slechts de noodige waarborgen ten aanzien van de samenstelling worden geschapen. Alsdan zou voor die gemeenten, waar een aan de eischen, bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen beantwoordend, en bij Koninklijk Besluit als zoodanig erkend of door het gemeentebestuur aangewezen orgaan is ingesteld, dit orgaan, wat betreft de uitvoering van de § § 3 en 4 der wet, in de plaats treden van den inspecteur. Het behoeft toch geen betoog, dat een dergelijke „kring”, welke men dan „woningcommissie” zou kunnen noemen, gemakkelijker van plaatselijke toestanden op de hoogte kan komen en blijven dan de betrokken inspecteur.

In art. V van het wetsontwerp worde derhalve daar, waar wordt voorgesteld den inspecteur de taak der gezondheidscommissies over te doen nemen, veeleer de „woningcommissie” in de plaats der gezondheidscommissie gesteld, en worde alleen, waar zulk een commissie niet tot stand komt, de inspecteur met de gedachte taak belast.

In art. 23 der vigeerende wet wordt aan B. en W. de verplichting opgelegd tot het doen van aanschrijvingen, warmeer hun van de noodzakelijkheid van verbetering of overbevolking is gebleken. Een verplichting echter om aan den gemeenteraad een voordracht tot onbewoonbaarverklaring te doen, wanneer woningen onbewoonbaar blijken, bestaat niet. Nu bij de voorgenomen wetswijzigitig de plicht der gezondheidscommissies om overeenkomstig art.RiS aanwijzingen te doen, wordt vervangen door een bevoegdheid (het zij dan van een woningcommissie, het zij van den inspecteur) en derhalve de vrees niet ongewettigd lijkt dat de onbewoonbaarverklaring op minder krachtige

wijze zal worden ter hand genomen, lijkt het geraden een verplichting van B. en W., als boven genoemd, om een voordracht tot onbewoonbaarverklaring aan den gemeenteraad te doen, wanneer een woning onbewoonbaar is bevonden, in de wet vast te leggen.

Ten aanzien van de onbewoonbaarv er klaring ( § 4 der wet) springt voorts in het oog dat de inspecteur, volgens de vigeerende wet de officieele adviseur van het College van Gedeputeerde Staten, wanneer dit in hooger beroep beslissingen neemt, dat volgens dit wetsontwerp zal blijven en daarnaast de officieele adviseur van den gemeenteraad in eerste instantie zal worden. Dit lijkt een minder gewenschte constructie, in bizondere mate wanneer een orgaan, als boven vermeld, wordt ingesteld, maar ook dan, waar dit niet het geval is. Totnutoe brachten twee verschillende organen van het staatstoezicht op de volksgezondheid hun advies over onbewoonbaarverklaring uit. Deze toestand kan behouden blijven in die gemeenten, voor welke een eventueel ingestelde „kring” met de taak der tegenwoordige gezondheidscommissie wordt belast. Daarentegen kan er voor die gemeenten, waarin de „kring” ontbreekt, geen aanleiding worden gevonden om aan hetzelfde orgaan (n.l. den inspecteur) in twee instanties deze taak op te dragen. Het bestuur beveelt derhalve aan in art. VI het advies van den inspecteur aan het gemeentebestuur geheel te doen vervallen. Een zoodanige constructie zou in overeenstemming zijn met de voorgestelde herziening van art. 2J, waar B. en W. voortaan zonder vooraf het advies van gezondheidscommissie of inspecteur te hebben ingewonnen, zullen handelen. Slechts daa'', waar een „kring” zal zijn gevormd, zou deze in de huidige bevoegdheid der gezondheidscommissie moeten treden.

Ook in art. 81 der Onteigeningswet is er, naar de meening van het bestuur, geen aanleiding het advies van de gezondheidscommissie te doen vervangen door dat van den inspecteur. Reeds onder de vigeerende wet mocht betwijfeld worden of het hooren der gezondheidscommissie in dit stadium der zaak veel zin had, aangezien zij eenerzijds gewoonlijk reeds in een vroeger stadium in de aangeleeenheid zal zijn betrokken geweest, n.l. in de gevallen, in art. 77 der Onteigeningswet onder i, 2 en 3 genoemd, terwijl andererzijds in de gevallen, onder 4 en 5 van dat artikel vermeld, het advies weinig zin heeft. Nu het desbetreffende raadsbesluit goedkeuring der Kroon behoeft en deze goedkeuring ongetwijfeld niet zal worden verleend dan na raadpleging van het staatstoezicht op de volkshuisvesting, bestaat er voor het advies van den inspecteur in dit stadium der behandeling geen aanleiding. Ook voor het hooren van woningcommissies bestaat in dit geval geen aanleiding.

Artt. VIII, 1° en 4° en IX. Deze artikelen geven in hun onderlingen samenhang het bestuur aanleiding tot de volgende opmerkingen.

De grondgedachte der Woningwet, zooals deze bij de totstandkoming dier wet in den breede is uiteengezet, is geweest dat de zorg voor de volkshuisvesting rijkszaak zou worden, maar dat de uitvoering zou berusten bij de plaatselijke overheid: van het gebied der autonomie werd zij gebracht naar dat van het zelfbestuur. De bevoegdheden der gemeentebesturen, uit de Gemeentewet voortvloeiend zouden ook op dit gebied, voorzoover uit de wet niet anders bleek, blijven bestaan. Op de handelingen der gemeentebesturen, verricht ter uitvoering van de Woningwet, werd het toezicht van Gedeputeerde Staten ingesteld. Deze zouden niet, zooals dat op grond van de voorschriften der Gemeentewet het geval is, in hoofdzaak op de financieele belangen der gemeente hebben toe te zien en ertegen hebben te waken dat deze door handelingen van het betrokken gemeentebestuur zouden worden geschaad, maar zij zouden de besluiten, rakend de uitvoering der wet, naar hun innerlijke waarde hebben te beoordeelen Dat gold

jr) Een desbetreffende opmerking in anderen zin in de Memorie van Toelichting op art. VIII, p. 3, lijkt dan ook minder juist.