is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 16, 1935, no 3, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eigeningswet, met name de wijziging van art. 92, maakte echter maatregelen tot bescherming van het gemeentebelang noodig.

Het nieuwe artikel 92 der Onteigeningswet bepaalt nl. dat bij een onteigening in het belang der volkshuisvesting de werkelijke waarde van het onteigende moet worden vastgesteld zonder rekening te houden met de bestemming tot eenig doeleinde van openbaar nut van het onteigende, als gevolg van een plan van uitbreiding. Door deze bepaling heeft de wetgever het bezwaar willen ondervangen, dat een grondstuk lager zou moeten worden gewaardeerd dan een naburig grondstuk, alleen omdat van het eene toevallig een grooter deel voor weg, plein, of voor een ander openbaar doel werd aangewezen dan van het andere. Om twijfel uit te sluiten, dat niettemin bij de waardebepaling de voor den aanleg van wegen benoodigde oppervlakte in aanmerking moet worden gebracht, is na de indiening van het wetsontwerp nog het artikel 92a ingelascht, voorschrijvende dat met afstand van grond ten behoeve van openbare verkeerswegen en met kosten voor het bouwrijp maken van den grond, een en ander volgens de in de gemeente geldende regelen, rekening moet worden gehouden.

Beide artikelen, met elkander in verband gebracht, rechtvaardigen de opvatting, dat bij een onteigening de in een uitbreidingsplan begrepen gronden geacht moeten worden elk voor zich en in verhouding tot hun grootte, een gelijke oppervlakte voor weg, plein en plantsoen te bevatten; deze opvatting wordt althans door de arrondissementsrechtbank alhier gehuldigd.

Het moet nu duidelijk zijn dat de gemeente schade zou lijden, indien zij slechts de minder gunstige grondcomplexen, welke door de particuliere ondernemers als niet winstgevend zijn overgeslagen, gaat exploiteeren en daarvoor bij onteigening een prijs zou moeten betalen, gebaseerd op een gemiddelden prijs voor de voordeelige enjninder voordeelige gronden tezamen.

Daar het ook om andere redenen gewenscht was, de „Algemeene Bepalingen voor het in bouwexploitatie brengen van gronden door particulieren” vastgesteld in te herzien, is getracht bij deze herziening tevens het bovenbedoelde gevaar te ontgaan door op het voetspoor van den wetgever van 1931 een zekere nivelleering te bereiken van de gevolgen, door de ongelijkmatige verdeeling van de voor wegen, pleinen en dergelijken bestemde oppervlakten over de verschillende in een uitbreidingsplan gelegen gronden te weeg gebracht. Deze gedachte is in de herziene bepalingen als volgt uitgewerkt. tvr. . 1 .

Wenscht een eigenaar zijn gronden, die voldoen aan de eischen, gesteld in art. i, in bouwexploitatie te brengen, dan wordt eerst nagegaan, tot welk onderdeel van het uitbreidingsplan, dat door zijn ligging en bestemming een afzonderlijk geheel vormt, de gronden behooren. Een uitbreidingsplan kan toch een zeer groot gebied met allerlei heterogene elementen bevatten; soms zal het op zichzelf een eenheid vormen, in andere gevallen moet het in eenheden worden gesplitst. Dit laatste is noodig, omdat anders een exploitant van grond, b.v. bestemd voor den bouw van eengezinswoningen, mede

Besproken in „Het Bouwbedrijf”, jaargang 1924, No. 4, door Mr. Dr. H. J. Romeyn.

zou worden belast met de veelal hoogere kosten voor de exploitaitie van in hetzelfde plan gelegen gronden, bestemd voor hooge bebouwing.

Voor elke eenheid wordt nu vervolgens nagegaan, welke totale oppervlakte voor openbare wegen, pleinen, grachten, enz. is bestemd en welke kosten in totaal voor bestrating, rioleering, enz. aan de gemeente zijn te vergoeden.

Naar verhouding tot de oppervlakte van zijn grondbezit worden voor den exploitant berekend de oppervlakte, welke hij om niet aan de gemeente zou hebben af te staan en de kosten, welke hij aan de gemeente heeft te voldoen. Blijkt van zijn grond een kleinere oppervlakte voor wegen, enz. te zijn bestemd dan hij volgens de berekening heeft af te staan, dan moet hij voor het verschil een zekere overeen te komen vergoeding aan de gemeente betalen; in het omgekeerde geval ontvangt hij zekere vergoeding van de gemeente.

Daar het zou kunnen voorkomen dat de gemeente bij het in exploitatie brengen van particulieren grond, wegens het recht van den exploitant op een vergoeding voor de grondoppervlakte, welke hij ten behoeve van den openbaren dienst meer moet afstaan dan als gemiddeld is vastgesteld en de gemeente wegens het door haar uitvoeren van de voor de exploitatie vereischte werken voor grootere uitgaven zou komen te staan dan zij voor een en ander aan bijdragen van derden heeft en van den exploitant zal ontvangen, is bepaald dat in zoodanig geval de gemeente haar medewerking tot de exploitatie kan weigeren.

Ten einde aan den dringenden wensch van de Regeering te voldoen, die reeds met vernietiging van de in 1924 vastgestelde verordening had gedreigd, is verder in de herziene bepalingen een zeker recht aan den eigenaar tot het in exploitatie brengen van zijn grond toegekend, d.w.z. de gemeente heeft zich in deze algemeene bepalingen verplicht, mits aan de voorwaarden wordt voldaan, met den grondeigenaar op den grondslag der bedoelde bepalingen een overeenkomst aan te gaan, hier ter stede „bouwconcessie” genoemd, betreffende de overneming door de gemeente van de voor den openbaren dienst bestemde terreinen. Deze voorwaarden zijn geformuleerd in art. i en houden hoofdzakelijk in dat de grond moet zijn gelegen in een vastgesteld plan van uitbreiding, waarbij de bestemming van den grond in onderdeelen is aangewezen, dat de aan te leggen wegen moeten aansluiten op bestaande wegen en dat er gelegenheid moet bestaan voor behoorlijken afvoer van faecaliën en van huis- en hemelwater.

Hoewel de gemeente niet krachtens eenige wet of verordening tot dusver verplicht was aan het in exploitatie brengen van particulieren grond mede te werken en een verplichting daartoe ook niet voortvloeit uit het eigendomsrecht, hetgeen bij een recent arrest van den Hoogen Raad, in dit tijdschrift uitdrukkelijk is uitgemaakt, moet toegegeven worden dat het alleszins onredelijk zou zijn, de bedoelde medewerking ten aanzien van grond, welke, krachtens ligging en de door de gemeente zelve daaraan gegeven bestemming in onderdeelen, rijp voor exploitatie is, te weigeren. Onbevredigend blijft het alleen dat daartegenover den eigenaar van dezen rijpen grond niet de verplichting

Op pag. 46 e.v., jaargang 1934, door Ir, Mr, M, M, van Praag.