is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 16, 1935, no 9, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zins overbodig de hierbedoelde woningen in de voorgestelde regeling te betrekken of andere tot huurverlaging leidende maatregelen ten aanzien van deze woningen te nemen.

Verder werd gevraagd of woningen, gebouwd met Rijksvoorschot, niet onder de uitsluiting vallen. Ook werd gevraagd hoe het gaan zal met woningen, gebouwd met buiten de Woningwet om verleenden steun en met woningen, gebouwd door vereenigingen met eenzelfde karakter als de Woningwetvereenigingen, alsmede met woningen, gebouwd krachtens de Woningnoodwet.

Hieronder volgen de belangrijkste opmerkingen, welke naar aanleiding van de artikelen zijn gemaakt.

ARTIKEL 4

De verwachting werd uitgesproken, dat bij den in het eerste lid van dit artikel bedoelden algemeenen maatregel van bestuur met de in den aanhef van dit lid genoemde instellingen zullen worden gelijkgesteld alle maatschappijen tot exploitatie van ononroerende goederen, die obligaties hebben uitgegeven. Deze maatschappijen zijn immers voor den rentedienst harer leeningen aangewezen op de inkomsten, welke de huren harer onroerende goederen haar verschaffen.

Voorts werd de vraag gesteld, of bij dezen algemeenen maatregel van bestuur ook zullen worden aangewezen bankinstellingen, wier bedrijf wel niet uitsluitend bestaat in het verstrekken van crediet op onroerende zaken, doch welke daarvan toch haar hoofdbedrijf maken. Dit zouden de stellers van deze vraag alleszins redelijk achten.

Eindelijk werd er op gewezen, dat de tekst in zooverre te ruim is, dat iedere instelling, ook al houdt zij zich volstrekt niet met het verkenen van hypothecaire credieten of de exploitatie van huizen bezig, met de zuivere grondcredietinstellingen gelijkgesteld kan worden. Een beperking zou men hier op haar plaats achten.

ARTIKEL 5

Eenige leden stelden de vraag, of de verplichting tot aflossing niet dient te worden beperkt tot hetgeen in het voorafgaande jaar aan periodieke aflossingen van debiteuren is ontvangen. Van andere zijde werd er op gewezen, dat de hypotheekbanken door de ruime redactie van dit artikel ten laste van hun obligatiehouders onbeperkt vrijstelling van aflossing kunnen verkenen.

ARTIKEL 6

Gevraagd werd, of de Regeering reeds kan mededeekn, door welke beginselen de Kroon zich bij de in dit artikel en in de artikelen 8 en 12 bedoelde aanwijzing van gemeenten zal laten leiden. Ligt het in de bedoeling, daarbij de gemeenten zelf te hooren ? En zou het geen aanbeveling verdienen, in de wet vast te leggen, dat een aanwijzing ook gedeelten van gemeenten kan betreffen ?

ARTIKEL II

Blijkbaar is in dit artikel onder c een misstelling geslopen. Gevraagd werd of niet gelezen moet worden: .... verhoogd met het bedrag of de geldswaarde van hetgeen tengevolge van beding (duidelijker ware: eenig beding) ten laste van den huurder is, doch zonder dat beding ten laste van den verhuurder zou zijn, en verminderd met.... enz.

ARTIKEL 12

Daar het voorschrift der huurverlaging practisch wel nagenoeg uitsluitend effect zal hebben voor de kleine woningen met korten huurtermijn, zal dit deel van het ontwerp naar de meening van verscheidene leden, die bezwaar hebben tegen het ingrijpen in contractueek verhoudingen, de rechtszekerheid niet schokken.

Dient niet in de wet te worden vastgekgd, zoo werd gevraagd, dat een beschikking van den inspecteur, respectievelijk kantonrechter, voor eiken toekomstigen huurder of verhuurder bindend is?

En zou het geen aanbeveling verdienen voor te schrijven, dat de inspecteur, zoo vaak er een wederpartij is, haar een afschrift van het verzoek zendt en haar in de gelegenheid stelt, hem haar eigen zienswijze kenbaar te maken ? Op deze wijze zou, naar men meende, menig beroep op den kantonrechter kunnen worden voorkomen.

Ook werd gevraagd of den inspecteur, die, naar men meende, volstrekt niet altijd op het gebied der woninghuren deskundig zal zijn, niet evenals den kantonrechter de bevoegdheid moet worden worden toegekend deskundigen te hooren.

ARTIKEL 15

Het ware juister, zoo werd opgemerkt, lid 2 te redigeeren als volgt: leder verzoek, dat betrekking heeft op een loopende huurovereenkomst, moet den naam en het adres van de wederpartij behelzen.

ARTIKEL 19

Sommige leden betoogden, dat aan dit artikel een bepaling dient te worden toegevoegd, waardoor komt vast te staan, dat de artikelen ii tot en met 18 evenmin van toepassing zijn op woningen van coöperatieve woningbouwvereenigingen, welke door de huurders in eigendom verkregen worden.

ARTIKEL 20

Met het oog op de bepaling van art. 18, lid i, inhoudende dat de huurverlagingen twee maanden na de inwerkingtreding van deze wet ingaan, werd er op aangedrongen de inwerkingtreding op den eersten eener maand te stellen. Voor vele huren zal dit een ingewikkelde berekening overbodig maken.

ARTIKEL 23

Dit artikel geeft aan de wet een tijdelijk karakter. Gevraagd werd, hoe de Regeering zich de gevolgen van de wet denkt na afloop van den termijn, waarvoor zij zal gelden. Zal dan de oude rente van hypothecaire en obligatieleeningen automatisch herleven ? Of is het de bedoeling de verschillende bedragen dan definitief op een nader te bepalen hoogte vast te stellen ?

Het wetsontwerp tot verlaging van vaste lasten en van huren heeft aanleiding gegeven tot talrijke beschouwingen en adressen, waarin veelal een bepaald belang domineert.

Dat geldt niet ten aanzien van de algemeene juridische beoordeeling van het ontwerp. Zooals bekend heeft de Regeering betoogd dat de door haar voorgestelde regeling een uitbouw is van het beginsel, dat ten grondslag ligt aan art. 1374 8.W., namelijk dat bij de uitvoering van overeenkomsten de goede trouw moet worden in acht genomen. Het ontwerp gaat uit van dezelfde overweging voor die gevallen, waarin de instandhouding van onder geheel andere omstandigheden gesloten contracten met de goede trouw in strijd zou komen. Hiertegenover is van verschillende zijden, o.a. door Prof. Bregstein in Economisch-Statistische Berichten, door Mr. B. P. Gomperts in het Handelsblad, de klemtoon gelegd op het onderscheid tusschen het aangevoerde beginsel, dat immers niet meer beoogt dan een zekere vrijheid te geven ten opzichte van de letter van vroeger gesloten contracten en den inhoud daarvan geheel eerbiedigt en een regeling, welke dien inhoud rechtstreeks aantast.

Aanvaardt men de voorgestelde regeling in het kader van ons privaatrecht dan verplaatst zich het zwaartepunt van de beoordeeling van de rechtmatigheid naar de doelmatigheid van het ontwerp. Daarbij staat de huiseigenaar in het brandpunt van de belangstelling, immers de strekking van het ontwerp is in de eerste plaats de bevordering van aanpassing in het belang van de huiseigenaren. Toch heeft het wetsvoorstel in hun kringen geenszins onverdeeld instemming ontmoet. Nu de Regeering blijkbaar streeft naar een huurverlaging van 20 % ten opzichte van het niveau van 1931, achten de huiseigenaren'de voorgenomen vermindering van de lasten, die hen bezwaren, ontoereikend. In de vergadering, welke de Nederlandsche Bond van Huis-en Grondeigenaren en Bouwondernemers aan het wetsvoorstel heeft gewijd, werd bezwaar gemaakt tegen het uniforme rentetype van 4I %, dat alle hypotheken, ongeacht het uiteenloopend risico, over één kam scheert. Veeleer had men blijkbaar, prijs gesteld op een verlaging van de rente van alle hypotheken, evenredig aan de aangekondigde verlaging van huren en erfpachtscanons, dus met 20 %, waardoor de risicopremie, die in de rente opgesloten is, ongemoeid zou blijven. Van verlaging van Overheidblasten verwachtte de vergadering weinig wegens de financiëele moeilijkheden, waarin de gemeenten zelve verkeeren. Overigens zal rente-verlaging naar de meening van den Bond niet afdoende zijn, maar zal men tot herwaardeering van de hoofdsommen moeten komen. Daarnaast werd in de vergadering uiting gegeven aan ernstige bedenkingen tegen het ontbreken van bepalingen, welke den hypothecairen schuldenaar beschermen tegen te hooge afsluiten verlengingsprovisies en vooral tegen het ontbreken van een bepaling, welke het executierecht van den hypotheekgever beperkt. Het werd wenschelijk geoordeeld dat hieraan nog voor de behandeling van het wetsontwerp paal en perk zou worden gesteld. Van andere zijde, met name door den Heer A. A. van Sandick