is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 16, 1935, no 10, 1935

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gratie, verhooging van het aantal echtscheidingen en van het aantal huwelijken wischten den invloed van den nieuwbouw op het woninggebrek jarenlang uit.

In dit opzicht is Nederland in gunstiger positie geweest, was daarbij kapitaalkrachtiger. Dank zij de wijze waarop de Regeering financieel den woningbouw bevorderde, is de woningnood hier jaren eerder weggebouwd dan elders.

Daarnaast kreeg ik in Czecho-Slowakije, evenals in meerdere landen, den indruk dat in het algemeen de Hollander de waarde van de behoorlijke woning meer en beter inziet dan elders, tot dusverre, het geval is. Evenwel wij moeten niet vergeten dat dank zij de leiding en hulp van de Nederlandsche Regeering onze arbeiders en kleine middenstandsgezinnen in de laatste twintig jaar geleerd hebben beter te wonen en vooral wat een betere woning is. Voor dien tijd was het bij ons niet zoo heel veel beter gesteld als het thans nog is in Czecho-Slowakije. „Elke nieuwe woning een eigen privaat” dateert b.v. in Rotterdam vanaf 1912!

Reeds in 1919 heeft de jonge republiek maatregelen genomen om den zeer grooten achterstand in de volkshuisvesting te verbeteren. De samenwoning in Praag bedroeg toen 20 %. De overbevolking van de meerendeels zeer kleine woningen was schrikbarend.

Alleen door groote financiëele tegemoetkoming van de Regeering gelukte het in de jaren 1919-1924 den aanbouw van woningen aan den gang te brengen. De Staat stelde zich borg op zeer gunstige voorwaarden voor le en 2e hypotheek tot tezamen 85 % van de stichtingskosten; rente en amortisatie regelde de Staat. In 15 % moest de bouwer voorzien. Het wil mij voorkomen dat deze regeling t.o.v. bevordering van den bouw niet de gelukkigste is geweest, immers ook onze Hollandsche ervaring is dat op de onmacht in de voorziening van 15 %, zelfs van 5 % van de kosten, de bouw in vele gevallen niet tot stand komt.

In 1921 werd deze steun gewijzigd in een bijdrage in de rente en amortisatie-rekening gedurende 25 jaar en in vele gevallen werd een bedrag a fonds perdu verstrekt. In 1924-1926 werden de gelden beschikbaar gesteld voor woningbouw, geput uit het Woningfonds, verkregen door belasting op de huren. Deze bedraagt thans nog 12 % plus opcenten en hieronder vallen ongeveer 50 % der woningen. In 1927-1930 stelde de Staat zich wederom garant voor le en 2e hypotheken tot 85 %, echter met dien verstande dat de hypotheeknemer zelf de rente en amortisatie betaalde en de Staat alleen bij onmacht van den hypotheeknemer aansprakelijk kon worden gesteld.

In 1930 is tenslotte een regeling getroffen ter financiëele aanmoediging van den bouw van de kleinste woning, 20-40 oppervlakte (buiten toebehooren) in den vorm van een jaarlijksche huurtoeslag, die ten hoogste % bedraagt van 90 % bouwkosten, plus le en 2e hypotheek tot 85 %. De garantiestelling van den Staat beperkt zich thans tot dit soort kleine woningen. Gedurende de laatste jaren is het aantal steunverleeningen sterk ingekrompen in verband -met den stand der openbare middelen. Ook de bouwnijverheid is ingekrompen. In de laatste jaren wordt steeds meer het kleinste type gebouwd.

Evenals in andere landen blijkt het ook in Czecho-Slowakije een moeilijke weg te zijn —’ en een die meer-

malen verlegd moet worden om uit het moeras van den woningnood te geraken. En de resultaten:

Van 1921-1931 zijn circa 550.000 woningen toegevoegd aan den woningvoorraad en is deze van 3.1 millioen gekomen op ruim 3.6 millioen. Dit is reeds een mooie prestatie. Aan de stichtingskosten heeft de Staat in velerlei vorm (hypotheek, gelden a fonds perdu, subsidie in de hypotheekrente) meegedragen circa 500 millioen gulden.

De Nederlandsche Regeering heeft aan de volkshuisvesting in die jaren een grooter bedrag besteed in den vorm van gewaarborgde voorschotten met terugbetalingstermijn van 50-75 jaar en de woningvoorraad kwam van 1.5 op 1.9 millioen.

De na den oorlog gebouwde woningen toonen duidelijk een verbetering in de wooncultuur en woontoestand, onder meer bij de woningen van woningbouwvereenigingen, welker leden een belangrijk bedrag bijdroegen in de stichtingskosten. De woningbouwvereenigingen hebben in die jaren circa 70.000 woningen gesticht, veelal woningen met twee kamers, keuken, bad, W.C. en overigens het kleinste woningtype voor de minst draagkrachtige gezinnen. Eveneens mooi werk.

In het algemeen beperkt de verbetering zich door: een tweede of derde kamer; eigen W.C.; badkamer; electrisch licht; stroomend water; gemeenschappelijke waschinrichting; sommige gevallen van centrale verwarming en warmwaterinstallatie.

Het is opmerkelijk hoeveel punten van overeenkomst er thans te vinden zijn bij de verschillende volken met betrekking tot hun huidige wooneischen, beter gezegd woonverlangens.

De verlangens zijn: meer licht, lucht, zon en groen; meer kamers, beter hygiënische voorziening in de woning, drang tot verhuizing uit de oudere deelen der steden naar den stadsrand, eenige drang tot terug naar het platteland, m.a.w. een verhooging der woonzeden en verbeterd inzicht in hygiëne is in de meeste landen van Europa op te merken. Dit is toe te juichen. Niettemin zijn er toch groote gradueele verschillen.

In Holland zou een inrichting en verdeeling van de woonruimte, zooals wij die in Czecho-Slowakije in vele huizen zagen, aan critiek onderhevig zijn. Wij zouden, conform onze inzichten, den eisch stellen van: le. afzonderlijke slaapgelegenheid voor ouders, jongens en meisjes;

2e. de huiskamer uitsluitend als woonkamer en niet mede als slaapkamer benutten in gezinnen al dan niet met kinderen; 3e. (kleinere) keuken, die niet als woonkamer wordt gebruikt;

4e. geen kazernebouw van meer dan 6 flats per huis in gesloten bebouwing (men gaat tot 20 flats per woongebouw).

Hierbij voeg ik twee voorbeelden van woningen, zooals zij bij duizenden gebouwd zijn, het eene voorbeeld, de eenkamer-woning, is een bekroond antwoord op een regeeringsprijsvraag en daarnaast een Hollandsche opvatting van de verdeeling van dezelfde oppervlakte, afkomstig van Ir. van Tijen en het architectenbureau Granpré Molière, Verhagen en Kok.

KOLONIES VAN EENGEZINSWONINGEN

Het spreekt vanzelf dat ik naarstig gezocht en geïn-