is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 17, 1936, no 4, 1936

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huurkamers en deze hebben het verzoek in te willigen of bemiddelend op te treden, onder meer:

a. indien het inkomen van den verzoeker niet toereikend is om de geldende huur te betalen;

è. indien geen goedkoopere woning, welke aan redelijke eischen voldoet, voor verzoeker elders te verkrijgen is, tenzij de verhuurder door inwilliging van het verzoek in zijn belangen meer zou worden benadeeld, dan de huurder bij weigering daarvan.

Staan wij een oogenblik bij deze richtlijnen stil, dan vragen wij ons allereerst af, welke normen moeten de huurkamers in de verschillende plaatsen aannemen als basis ter beoordeeling van de vraag of het inkomen van den verzoeker te gering moet worden geacht om zijn contractueel bepaalde huur daaruit te kunnen voldoen. Moet die norm zijn 1/7, 1/6 of 1/5 van het inkomen en welk deel moeten inwonende kinderen met eigen inkomen in de huur bijdragen; moet dat overgelaten worden ter beoordeeling van de meergenoemde huurkamers, dan wel ligt het op den weg der Regeering hiervoor maatstaven aan te geven.

Nemen wij b.v. de norm van 1/7, zooals een bepaalde groep in de gemeenschap meent dat als basis moet worden aangenomen, dan volgt hieruit dat voor allen, die minder verdienen dan ƒ 35.- per week, een woning van ƒ 5.- per week te duur is. En al neemt men 1/5 als basis, dan zullen er thans nog heel wat, zelfs in de groote steden, zijn, wier inkomen minder dan ƒ 25.- bedraagt en voor wie dus een huurprijs van ƒ 5.- te hoog zou zijn.

De tweede richtlijn is een redelijke woning. Waar de Regeering het begrip redelijke woning niet verder in de Wet noch in de Algemeene Beschouwingen nader heeft omschreven, zullen ook hier de huurkamers bij hun beoordeeling voor de vraag gesteld worden: „Wat is een redelijke woning” ? Het behoeft geen betoog dat ten aanzien van deze begrippen de meeningen zeer uiteenloopen. Toch is het interessant kennis te nemen van een bericht in het avondblad van Het Volk van Dinsdag 6 April 1936, luidende als volgt:

Huur VERLAGING GEVOLGD DOOR HUUROPZEGGING.

„Heerlen Maandag.

„Door een bijdrage van het Rijk van ruim ƒ 90.000 „is het mogelijk gemaakt voor het overgrote deel der „woningen der woningbouwverenigingen te Heerlen, „de huren van het begin van dit jaar af belangrijk te „verlagen. Bovendien komen allen, die van de huur„verlaging genieten, ook geheel of zo goed als geheel „vrij van personele belasting.

„Een en ander is voor B. en W. een aanleiding ge„weest, om zonder enig overleg, de besturen der bouw„verenigingen aan te schrijven, dat aan huurders „die gemiddeld meer dan ƒ 2000.- inkomen hebben, „de huur moet worden opgezegd, wat natuurlijk onder „de betrokkenen grote consternatie heeft veroorzaakt.

„Ons raadslid Lindeyer heeft aan den Burgemeester „gevraagd in de Dinsdag te houden raadsvergadering „B. en W. hierover te mogen interpelleren.”

Men ziet uit bovenstaand bericht dat het in zekere kringen wordt gewraakt, dat menschen met meer dan ƒ 2000.- inkomen uit een door het Rijk gesteunde woning van :! ƒ 5.- huur per week worden verdreven, en het is heusch niet die groep alleen, die meent dat een woning van ƒ 5.-, ƒ 6.- of ƒ 7.- per week veel te duur is, omdat men bij de beoordeeling daarvan nog altijd

vasthoudt aan de vooroorlogsche huren en zich niet realiseert dat niet alleen het huurbedrag grooter is geworden, doch ook de nieuwe woning evenredig is verbeterd en vergroot.

Zelfs Dr. G. Th. J. Delfgaauw zegt in een artikel in „In en Uitvoer” van 2 April 1935 onder meer: „De starheid van het huurpeil.

„Uit verschillende gegevens blijkt, dat het hurenpeil „van arbeiderswoningen tot nu toe in het algemeen nog „slechts een geringe daling heeft ondergaan. Voor „groote groepen van de bevolking, in het bijzonder voor „de arbeiders in de onbeschutte bedrijven om te „zwijgen van de werkloozen zijn de woninghuren „meer en meer in een wanverhouding komen te staan „tot de zoo besnoeide inkomsten.”

Hiermede wordt de suggestie gewekt dat die huren lager kunnen of moeten, terwijl in zijn boek „De grondpolitiek van de gemeente Amsterdam”, uitgave 1934, dezelfde Dr. D. op pag. 127, om aan te toonen dat de stijging van de grondprijzen evenredig is aan de stijging van de stichtingskosten der woningen, zegt:

„In 1909 nam men aan (blz. 39) dat de kosten voor „den grond ongeveer de helft van de bouwkosten vorm„den, bij arbeiderswoningen vermoedelijk iets minder. „Twintig jaar later, in 1928, deelden Burgemeester en „Wethouders de volgende cijfers mede betreffende de „exploitatiekosten van arbeiderswoningen:

„a. canon (berekend, evenals de volgende cijfers, per woning per week) ........ ƒ i.io tot ƒ 1.30 „6. bouw- en overige stichtingskosten, bij een rentevoet van 4 % en amortisatie in

50 jaren •. 3.69 „c. overige exploitatiekosten: onderhoud, administratie, assurantie, belastingen, waterleiding ....... „ 1.85.”

Hieruit blijkt dat èn B. en W. van Amsterdam èn Dr. Delfgaauw de huur voor een arbeiderswoning van ƒ 6.84 in 1928 door de overheid gebouwd of gesteund niet abnormaal achtten.

In het vaste lasten ontwerp wordt aangenomen dat rente en aflossing van resp. 4 %en i % moeten kunnen worden opgebracht. Indien zulks niet kan, is volgens de Memorie van Antwoord de exploitatie rijp voor faillissement. Ergo moet de particuliere exploitant I % van de stichtingskosten meer aan huur vorderen dan de bovenbedoelde ƒ 6.84 om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Stellen wij dan de gemiddelde huur op ƒ 7.50 per week en trekken wij daarvan de door de Regeering gewenschte 20 % verlaging af, dan zal zoo’n woning in een stad als Amsterdam nog altijd ƒ 6.- huur moeten opbrengen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen. Dit bedrag is dan nog bijna het dubbele van hetgeen gemiddeld voor den oorlog voor wat men toen een goede arbeiderswoning achtte werd betaald, echter toen was de grondprijs per woning (kleiner oppervlak) ƒ 500.-, thans ƒllOO.- a ƒ 1300.-; de stichtingskosten van een (minder geriefelijke kleine) woning ƒ 1200.-, thans ƒ 2200.- tot ƒ 2600.-. Daarbij komt nog dat de lasten en tarieven zijn verhoogd en nieuwe zijn opgelegd. Hieruit is dus de dubbele huur van voor den oorlog volkomen verklaard.

Wij verwaarloozen dan nog alle andere verliezen, welke mede door de crisis zijn ontstaan, zooals extra huurderving, extra schade door wanbetaling, enz. enz.