is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 18, 1937, no 10, 1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Oostgevel. Men kan nu tot bedtijd luchten, en profiteert bovendien ten volle van den ’s avonds veelal uit Oostelijke richting komenden wind. De Oostgevel is buitengewoon geschikt voor slaapkamers en keuken.

Aan den Zuidgevel verlaat de zon de kamer s zomers te ongeveer half vier zonnetijd = half vijf zomertijd. Men heeft vier uur minder beschikbaar voor luchten. Maar niet alleen dat, de namiddagzon is veel intenser (nu de luchttemperatuur hooger is) dan de ochtendzon. Kamers op het Zuiden zijn in den zomer zeer warm.

Moet men ze dan aan den Noordgevel leggen? Dat is zeker te verwerpen. Schrijver dezes is uit persoonlijke ervaring bekend met een slaapkamer op het Noorden. Er komt vrijwel nooit zon, de kamer wordt muf en vochtig, het verblijf is er somber. De overgang naar een Oost-West woning met slaapkamer op het Oosten was een openbaring, ondanks het feit, dat de belemmeringshoeken in de laatste woning grooter waren dan in de eerste.

Er zouden meer punten kunnen worden genoemd, doch met deze drie zij volstaan. De regelmatige, milde bezonning van een woning met Oost- en Westgevel is m.i. verre te verkiezen boven de excessen van een Noord-Zuid woning. Bij deze laatste is het aan den Zuidgevel ~alles of niets , in den zomer te veel, in den winter te weinig, als er normale stedelijke belemmeringen aanwezig zijn.

Nog twee zaken mogen hier worden aangeroerd:

a. Wat de warmte-ontwikkeling betreft, ware eenig commentaar op het aan Knauff ontleende staatje niet misplaatst geweest. Het is werkelijk ongelooflijk. Wie, zooals schrijver dezes, in warme zomermaanden jaren lang op het Zuiden in broeiende zonnehitte heeft vertoefd en daarna het genot heeft leeren kennen van een Westgevel, waar het weliswaar warm kan zijn, doch waar men juist in den zomer, dank zij de overgelegen bebouwing toch nog niet al te laat van de avondkoelte kan profiteeren, is het niet aan te nemen, dat de gegeven cijfers juist zijn. Hoe was het model ingericht? Is er rekening mede gehouden, dat door de lage winterzonnestanden de zonnestralen een veel dikkere luchtlaag moeten doorloopen dan 's zomers? Ir. Kloos spreekt zelf over de ~zeer zwakke winterzon tusschen 6 December en 6 Januari”.

b. Ir. Kloos meent m.i. terecht, dat een norm van 15° voor den belemmeringshoek practisch niet kan worden gesteld en dat 30° eventueel als uitgangspunt zou kunnen dienen voor een wijziging in de bouwverordening van onze groote steden.

Afb. 7. Bestraling kamer Noordgevel

Het is den schrijver wellicht niet bekend, dat de nieuwe Bouwverordening van Amsterdam, van kracht geworden 1 Juli 1936, vrijwel geheel aan dezen norm voldoet. Volgens de artt. 53 en 54 dezer verordening mag men in de zónes E, F, G, K en L dat is het gebied der gemeente, hetwelk practisch alle nog voor nieuwbouw beschikbare terreinen omvat in de voorgevelrooilijn niet hooger bouwen dan 2/3 van de straatbreedte, in de achtergevelrooilijn niet hooger dan 2/3 van den afstand tusschen de achtergevelrooilijnen. Dit komt neer op een belemmeringshoek voor het laagste punt van vóór- en achtergevel van ± 33°. Bovendien zegt art. 55, dat in het vorengenoemde gebied tusschen vóór- en achterge-

Afb. 8. Beschijningstijden kamer Noordgevel