is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 18, 1937, no 10, 1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geven. Andererzijds zal men moeten erkennen, dat, terwijl die fictie aan de grondexploitatie het karakter van hazard (of als men wil van behendigheidsspel) opdrong, het verdwijnen van die fictie dit bedrijf een meer normale basis verschaft.

Nu gaan zich intusschen weer andere moeilijkheden voordoen: vooral daar, waar een gemeentebestuur behoorlijk de leiding in handen houdt, ontstaat een tendenz tot ~vlucht uit het uitbreidingsplan”, tot bebouwing buiten dat plan, waar men vrij loopt van allerlei beperkende voorschriften. Wij hebben daarbij vanzelfsprekend niet het oog op landelijke bebouwing, welke juist alleen buiten dat plan op haar plaats zou zijn, maar op die grootere en kleinere woonhuizen, waarvoor het plan zelf de gronden heeft aangewezen. De meeste bouwverordeningen misschien reeds alle beperken dergelijke bebouwing tot wegen in openbaar beheer, welke aan zekere vereischten voldoen, een zeer juiste beperking, welke echter aan die wegen de zoo gevreesde lintbebouwing kan doen ontstaan. Vele bouwverordeningen stellen voorts eischen omtrent onderlinge afstanden, waardoor die lintbebouwing ijler wordt, maar niet wordt voorkomen. Vele gemeenten hebben de oplossing ook gezocht in rooilijnvoorschriften voor bepaalde wegen of in kleine uitbreidingsplannen voor de daaraan grenzende gronden. Dergelijke regelingen zijn echter goed voor die wegen, waar men werkelijk bebouwing beoogt te verkrijgen; als middel tegen de „vlucht” zijn zij ondeugdelijk, omdat zij een regeling geven voor datgene, wat feitelijk verboden moest zijn. Waar wij heen moeten, is, dat de bouwverordening het bouwen buiten het uitbreidingsplan, d.w.z. buiten het voor de uitbreiding uitdrukkelijk bestemde gebied, zal verbieden; een verbod, dat niet van toepassing zal kunnen zijn op datgene, wat door zijn aard juist 'buiten het plan thuis behoort en waartoe niet alleen de bouw voor het agrarisch bedrijf, maar ook de buitenplaats, de vacantiekolonie, e.d. moeten worden gerekend.

Z,ien wij juist, dan zal een dergelijk verbod gemist kunnen worden in die gevallen, waarin aan het geheele gemeentelijke grondgebied door een uitbreidingsplan (althans in hoofdzaak) een bestemming zal zijn toegewezen; dan kan reeds uit dien hoofde elke bouw in strijd met die bestemming worden geweerd. Maar dan die, bestemming c.q. moeten luiden ~voor natuurruimte of ~voor agrarische doeleinden ’, afgezien van de formuleering, die men aan die begrippen meent te moeten geven. En waarom ook eigenlijk niet? Waarom zou een gemeente, die verplicht is zich een voorstelling te maken omtrent de toekomstige behoefte aan gronden voor huisvesting, voor verkeer, voor industrieele doeleinden, niet dergelijke voorzieningen treffen in het belang van het agrarisch bedrijf? Niet te ontkennen valt, dat dit belang veelal den gezichtskring van de afzonderlijke gemeente overschrijdt, maar geldt dat niet minstens in gelijke mate voor het verkeer en voor de recreatie en is niet juist daarom het streekplan als instituut boven het uitbreidingsplan gesteld? Zeker kan daaruit geen motief voortvloeien, om de landelijke doeleinden uit het gemeentelijke uitbreidingsplan te weren. En evenzeer verdient de opvatting bestrijding, volgens welke de huisvesting geen onderwerp voor het streekplan zou mogen zijn; men kan b.v. niet volhouden, dat

bij de verdeeling van de toekomstige Veluwsche bevolking over de grootere en kleinere agglomeraties geen streekbelang zou zijn betrokken.

In den aanhef van dit artikel werd geconstateerd, dat onze stedebouwwetgeving den voortgang van wetenschap en practijk heeft gevolgd en dat de administratieve rechter in tusschenliggende perioden binnen het kader der wet meermalen tot aanpassing aan die ontwikkeling bereid bleek. Mag dit ook ten aanzien van de laatste jaren gezegd worden?

Uit dit en uit voorgaande jaren liggen daar voor ons Koninklijke beslissingen in zake Haarlem, Heerlen, Zegwaart, Hoogkerk, Zweelo, welke zich richten tegen de bestemming voor landelijke doeleinden, tegen het verbod van andere dan landelijke bebouwing buiten het uitbreidingsplan, tegen bouwverordeningsbepalingen omtrent minimum-afstanden, kortom tegen bijna alle maatregelen, welke hierboven in het belang van de concentratie der bebouwing en tot het tegengaan van wanordelijke verspreiding worden aanbevolen. Bevoegde deskundigen op het gebied van het bestuursrecht hebben uiteengezet, dat deze beslissingen geenszins door den tekst en den geest der wet werden geboden, hetgeen erop zou wijzen, dat de administratieve rechtspraak door een geheel anderen geest wordt geleid dan in het vorige decennium. En waar gaan wij dan heen? Het K. B. inzake de bouwverordening van Zweelo is niet gepubliceerd, maar wat er over bekend is geworden wijst in deze richting, dat een gemeentebestuur zich zelfs tegen gesloten lintbebouwing langs de bestaande wegen alleen zou kunnen verweren door al die wegen in uitbreidingsplannen te verwerken, waarbij dan echter de bestemming voor landelijke doeleinden (Haarlem, Heerlen) uitgesloten zal zijn. Nederland zou dan bedekt worden met uitbreidingsplannen voor woningbouw, plannen, waarvan wij zouden weten, dat zij nooit geheel tot uitvoering zouden kunnen komen en waarvan wij in vele gevallen vurig zouden moeten hopen, dat zij ook niet voor een deel zouden worden bebouwd, maar die tevens zouden stimuleeren tot een noodelooze, wanordelijke verspreiding met de cultureele en economische schade, die daaraan kleeft.

De Troonrede bracht ons echter onlangs de aankondiging van een in voorbereiding zijnde herziening der Woningwet. In welke richting die herziening zal gaan, is nog niet bekend, maar er lijkt plaats te zijn voor de veronderstelling, dat de nieuw opgetreden Minister van Binnenlandsche Zaken juist daarom een wijziging op stapel zal hebben gezet, omdat dien bewindsman in zijn vorige functie gebleken moet zijn, dat de wet in haar tegenwoordigen vorm niet geheel meer aan de eischen des tijds beantwoordt. Is deze veronderstelling juist, dan mag men ook hoop koesteren op een anderen geest in de administratieve beslissingen, hetgeen ten slotte slechts een voortgang zou beteekenen op den weg, dien men vroeger heeft gevolgd, maar in de laatste jaren heeft verlaten, i)

Rotterdam, September 1937

Nadat dit artikel geschreven was. verscheen het in dit nummer, wat de rechtsoverwegingen betreft, weergegeven Kon. Besluit van 30 Augustus 1937, S 2359, inzake een uitbreidingsplan voor de Watergraafsmeer. Vgl. hierover de eveneens in dit nummer opgenomen Kantteekening.