is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 18, 1937, no 12, 1937

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de meer open typen, met uitzondering natuurlijk van de wijken grenzend aan de bestaande dichte kernen.

Eindelijk, na een lange lijdensgeschiedenis, in een tijd waarin Velsen groeide van 28.000 tot 45.000 inwoners, is dus een plan ontstaan, dat verdere uitbreiding op redelijke inplaats van onredelijke wijze waarborgt. Voor zoover in onderdeelen uitgewerkt, is er nu ruimte voor ± 66.000 inwoners, met de woongebieden die nog in hoofdzaak zijn aangewezen erbij komt men waarschijnlijk op ± 75.000.

De vraag rijst; wat biedt Velsen dezen aanwezigen en toekomstigen inwoners? Aangenomen dat hun werk wordt geboden, en gegeven het feit dat vrijwel uitsluitend eengezinswoningen voorkomen, dat elk gezin dus zijn tuin(tje) heeft, wat bezit Velsen méér dan bijvoorbeeld Vreewijk, of tuindorp Oostzaan of de Watergraafsmeer?

De Directeur van Openbare Werken spreekt in zijn toelichting van ~de kiem.... voor een te ontwikkelen badplaatsleven”, waarnaast de gemeente ~herbergt.... een overmatige hoeveelheid bijna ongerept natuurschoon, dat haar nog een niet geheel te overzien perspectief biedt”.

Ook Ir. Verhagen in 1923 noemt als oud-Kennemer het landschap als hoofdelement; ~eenmaal was ons mooie binnenduin-landschap de glorie van onze lage landen.... Weinig bleef ongerept, maar een oud en doorleefd landschap valt maar niet bij den eersten aanval uiteen, en zoo bleven er nog afgelegener strooken voldoende gespaard, om er de echte stemming terug te vinden. In de allereerste plaats het gebied in de gemeente Velsen, tusschen het steeds voller gepropte Bloemendaal en de Kanaalzone. Daar zijn zelfs nog enkele fraaie buitens aan den uitersten binnenrand bewaard en vlijen zich 1109 weilanden langs en tusschen de bosschen en lanen van de hooge, begroeide duinreeks”.

Sinds dien tijd is al veel veranderd, de Breesaap is op een paar armzalige restjes na verdwenen, de Neethof i’s onherkenbaar, bij de Ruïne van Brederode hebben de villaparken voortgewoekerd. Een geheel andere stemming spreekt dan ook uit de studie van Velsen van 1932 (v. d. Bergh v. Eysinga);

„de stichting van de groote bedrijven op de terreinen van de oude buitens Breesaap en Velserbosch heeft.... veel schoonheid doen verdwijnen....”

„Men komt ~onder twee spoortunnels door in IJmuiden-Oost, dat aan IJmuiden is vastgebouwd en waar van natuurschoon niets meer te vinden is; de duinen, waar IJmuiden-Oost in het zuiden aan grenst, zijn door den eigenaar afgesloten. Over de geheele lengte van de spoorlijn Velsen tot aan de kust, strekken zich de beide aaneengegroeide dorpen uit, d.i. een afstand van ruim 5 km. Geen enkel park, geen plantsoen, niets dan huizen, winkels, garages, kantoren, pakhuizen; waar men komt; het type van een arbeidersnederzetting op groote schaal”.

..Meer en meer verkoopen de eigenaars (van de buitenplaatsen) ....stukken grond, hetzij weiland, bosch of woeste gronden; of wel ze trekken weg en laten de groote huizen, door de tijdsomstandigheden niet meer te bewonen, leeg staan”.

De indruk, die hier wordt gevestigd door de sociaalgeografe, is die van een overgangstoestand, ontstaan uit

het conflict tusschen een landelijk gebied met veel grootgrondbezit eenerzijds en een stedelijke en voorstedelijke vestiging van grootindustrie, arbeiderswijk en villawijk andererzijds.

Tusschen deze twee strijdende werelden ligt een wijde klove; in levenseischen en levensstandaard staan zij ver uiteen. Naast elkander kunnen zij niet blijven voortbestaan; de stedelijke krachten tasten het landelijk gebied aan in zijn geheele bestaansmogelijkheid.

Het landelijk milieu past zich dus aan, allereerst door het plaatsen van bordjes ~bouwterrein te koop” op elk perceeltje dat aan een weg ligt. Een tweede gevolg is de omzetting van vrij extensieve land- en tuinbouw naar meer intensieve vormen, een noodgedwongen verandering ten gevolge van de stijgende loonen. Tusschen 1910 en 1921 steeg volgens de landbouwstatistiek het percentage tuinbouwgronden van 5 op 6, ondanks de oppervlakten, die door woningbouw in beslag werden genomen; tusschen 1910 en 1930 nam de meer extensieve groententeelt af van 68% tot 57% van het tuinbouwoppervlak, terwijl de intensieve bloem- en bollenteelt steeg van 27 op 37%. De schapenteelt verdween vrijwel geheel, de veebedrijven in het poldergebied stelden zich grootendeels in op het slijten van consumptiemelk.

De buitenplaatsen missen het vermogen zich aan te passen voor zoover zij niet worden gesloopt of in openbaar bezit overgaan, worden de open ruimten er in, de oude moestuinen en boomgaarden, aan tuinders verhuurd, waarmee de kiem van verval is binnengehaald.

Aanvaardt men de onvermijdelijkheid van deze ontwikkeling, dan kan het natuurschoon-vraagstuk in een nieuw licht worden bezien. Een tijd lang kan een stedelijke vestiging parasiteeren op de resten van een landelijke beschaving, doch het eindresultaat is vernietiging. Velsen bevat binnen het grondgebied van 4658 ha SÖO ha haven en groote waterwegen, 1000 ha polderland, grootendeels grasland met weinig wegen, en ver over de 1000 ha duin en droog duinbosch. De polder kan waarschijnlijk als veeteeltgebied blijven bestaan; intensiveering van de bedrijven en omzetting naar tuinbouw zal op den duur het aspect rommeliger en minder gaaf maken. Als ontspanningsgebied voor de 45—75.000 inwoners heeft dit deel weinig beteekenis, de stedeling is er verre van welkom. Een invasie van voetbalterreinen langs den Rijksweg zal later niet te vermijden zijn. Het duingebied is een te kwetsbaar terrein om er hor-

den in toe te laten; zeer terecht zijn deze bezittingen dan ook afgesloten, en óf alleen langs enkele streng 'bewaakte paden (Duin en Kruidberg) óf tegen vrij hooge kosten (Heerenduin) toegankelijk. Als natuurreservaat hebben de duinen groote beteekenis, als rustig wandelgebied ook voor den enkeling, maar voor de ontspanning van dc groote massa spelen zij geen rol, mogen en kunnen zü geen rol spelen.

Het tusschenliggende gebied, de geestgronden met hun woon- en industrieuitlooper naar ijmuiden, beslaat eveneens ruim 1000 ha. Hiervan nemen de bestaande kolommen ruim 380 ha. in beslag, met de nlannen-in-onderdeelen ruim 580 ha. Onder dit oppervlak zijn begrepen: park Velserbeek ± 30 ha, toekomstige parkjes IJmuiden-Oost ±l6 ha, toekomstig sportcomplex Driehuis ± 10 ha. Burgemeester Rijkenspark en bijbehoo-