is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 19, 1938, no 9, 1938

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tijdschrift voor Volkshuisvesting en Stedehouw

Orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en Stedebouw en den Nationalen Woningraad, Algemeenen Bond van Woningbouwvereenigingen

Redactie: H. P. J. Bloemers, J. Bomtner, Jhr. M. J. I. de Jonge van Ellemeel, Ir. L. S. F. Scheffer, Ir. P. Bakker Schut, Mr. J. Vink, Ir. J. M. A. Zoetmulder

Adres Toor Redactie en Abonnementen : Kloveniersburgwal 70, Amsterdam C, Telefoon 40588

Advertenties: Keizersgracht 188, Amsterdam C, Telefoon 49128

Sept. 1938

19e Jaargang No. 9 Maandblad

I In Memoriam Mr. P. Droogleever Fortuyn I

Algemeen is in den lande het verscheiden van Mr. P. Droogleever Fortuyn oprecht betreurd. Het is hier niet de plaats den zoo plotseling overleden burgemeester van Rotterdam te herdenken als politicus en magistraat. Maar wij mogen niet nalaten op deze plaats met een enkel woord te wijzen op de beteekenis, die de overledene heeft gehad voor de volkshuisvesting en den stedebouw.

Het was toevalligerwijze in het laatstverschenen nummer van dit Tijdschrift, dat wij in herinnering brachten, dat Mr. Droogleever Fortuyn kort na zijn promotie te Leiden zich het secretariaat zag opgedragen van een Commissie uit de Vereeniging voor Handel, Nijverheid en Gemeentebelangen, welke in de jaren 1894—’98 een enquête heeft gehouden naar de toenmaals zeer veel te wenschen overlatende woningtoestanden in de residentie. Ongetwijfeld is het uitvoerig rapport van dat onderzoek hoofdzakelijk zijn werk geweest.

Reeds in het begin van zijn loopbaan kwam hij dus met de praktijk van het woningvraagstuk in aanraking. Als directeur eener hypotheekbank zou hij een zeer langdurige ervaring opdoen in zake de financiering van den particulieren woningbouw. In 1912 tot lid van den gemeenteraad van ’s-Gravenhage gekozen, zag hij zich reeds in 1913 gekozen tot Wethouder van Financiën, om in 1919 deze portefeuille te verwisselen met die van Openbare (destijds ook Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting omvattend).

In de moeilijke na-oorlogs-jaren, toen de woningnood op het hoogtepunt was en de woningbouw met tal van moeilijkheden had te kampen, zijn onder zijn wethouderschap belangrijke maatregelen genomen, zoowel wat betreft de voortzetting van den gemeentelijken woningbouw als de bevordering van den bouw van vereenigingswoningen en de bevordering der particuliere bouwnijverheid. In dit veroand moge herinnerd worden aan de oprichting van de Stichting „Centraal Woningbeheer (van welks bestuur hij q.q. het voorzitterschap

aanvaardde) voor de exploitatie der destijds snel in aantal toenemende Gemeentewoningen; de oprichting in samenwerking met andere gemeenten van de N.V. Centrale Bouwmaterialen Voorziening (C.8.V.); aan de oprichting eener gemeentelijke aannemingsmaatschappij (N.V. ~Habo ). Talrijke incidenteele besprekingen in den Raad over het beleid ten aanzien van grondbedrijf en woningvoorziening gaven hem einde 1922 aanleiding zijn zienswijze dienaangaande neer te leggen in een zeer gedocumenteerde nota, getiteld „De grond- en woningpolitiek der Gemeente s-Gravenhage”.

Zeer in het bizonder had de stedebouw zijn belangstelling. In dit verband moge eraan worden herinnerd dat onder zijn wethouderschap tot den aanleg van twee belangrijke parken werd overgegaan: het Westbroekpark en het Zuiderpark. Vooral ten aanzien van het laatste heeft hij zich zeer veel moeite getroost en zonder overdrijving kan worden gezegd, dat zonder zijn tact en zeemanschap de huidige generatie dit park niet zou hebben aanschouwd in den aantrekkelijken staat, dien het thans reeds vertoont.

In 1923 heeft hij zijn wethouders-portefeuille neergelegd, zeer tot leedwezen van allen, die het voorrecht hebben gehad te mogen samenwerken met dezen fijnen, kunstzinnigen man.

Van ons Instituut was hij een goed vriend en geruimen tijd een gewaardeerd medewerker. Gedurende verscheidene jaren had hij zitting in het Bestuur; als lid van een commissie, ingesteld door samenwerking van de Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten en het Instituut, had hij een belangrijk aandeel in het in 1925 verschenen „Rapport over de wettelijke regeling van het gewestelijk plan”.

Met Mr. Droogleever Fortuyn is niet alleen een bekwaam bestuurder heengegaan, wiens woord gezag had en wiens tact en beminnelijkheid in nagenoeg alle kringen werden gewaardeerd, maar ook een man, die warm voelde voor de verbetering der volkshuisvesting en die een helder inzicht had in de ontwikkeling en de behoeften van de zich snel uitbreidende stad der twintigste eeuw. “

F. Bakker Schut