is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 20, 1939, no 4, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woningen, welke het gemeentebestuur in Mei 1938 in Utrecht en de aangrenzende bebouwing van de randgemeenten heeft doen houden, in aansluiting aan de telling van December 1936, waarvan de resultaten zijn gepubliceerd in het bekende rapport van Prof. van Vuuren over de toekomstige ontwikkeling van Utrecht. Hoewel een nauwkeurige berekening van de woningreserve als percentage van den geheelen woningvoorraad niet mogelijk was, doordat niet over een indeeling van de bewoonde woningen naar de huren ten tijde van de telling kon worden beschikt, is het toch mogelijk geweest dat percentage met voldoende zekerheid te benaderen. Het bedroeg voor de woningen met een huur beneden ƒ 4 per week 2,6; voor de woningen met een huur van ƒ 208 tot ƒ 250 oer jaar 2,2, en voor de woningen met een huur van ƒ 250 tot ƒ 300 per jaar 2,5, Schakelt men de woningen uit, waarvan de onderhoudstoestand slecht en/of de ligging ongunstig werd geoordeeld door de inspecteurs van den bouwen woningdienst, dan waren deze percentages resp, 1,8, 2,1 en 2,5 tegen resp. 1,6, 2,8 en 3 in December 1936. Dat het percentage voor de klasse beneden ƒ 4 huur per week hooger is dan in 1936 is hieraan toe te schrijven dat destijds minder woningen van deze groep wegens den onderhoudstoestand of de ligging aan de reserve onttrokken zijn.

Streekplan-studiecommissie voor Utrecht en omstreken

Gedeputeerde Staten van Utrecht hebben het initiatief genomen tot de instelling van een voorbereidende streekplancommissie voor het gebied van Utrecht en de negen randgemeenten, waarover het rapport van Prof. van Vuuren mede handelde, namelijk Achttienhoven, de Bilt, Bunnik, Houten, Jutphaas, Maartensdijk, Oudenrijn, Vleuten en Zuilen. Hieraan is overleg tusschen het College en den Minister van Binnenlandsche Zaken voorafgegaan inzake de maatregelen, welke naar aanleiding van het rapport van Prof. van Vuuren zouden dienen te worden overwogen. De Minister heeft daarbij medegedeeld dat aan een regeling van de belangen, die hier op het spel staan, een grondig onderzoek van alle daarmee verband houdende factoren dient vooraf te gaan en dat dit hij voorkeur in den vorm van een streekplanstudie zou kunnen geschieden, door samenwerking van de belanghebbende gemeenten onder leiding van Gedeputeerde Staten of van een lid van dit College. Gedeputeerden hebben aan dezen wensch gevolg gegeven door zich tot de gemeentebesturen te wenden om medewerking. Het is de bedoeling dat de commissie, die geen wettelijk karakter overeenkomstig de Woningwet zal hebben, gegevens zal verzamelen voor een streekplan en deze zoo mogelijk in een ontwerp-streekplan zal neerleggen. Een lid van Gedeputeerde Staten zal het Voorzitterschap op zich nemen; Utrecht zal twee vertegenwoordigers kunnen aanwijzen, de overige gemeenten worden verdeeld in drie groepen, die elk een vertegenwoordiger zullen kunnen benoemen. Verder zullen adviseerende leden zitting hebben, op soortgelijke wijze te benoemen, terwijl Prof. van Vuuren, de Inspecteur voor de Volkshuisvesting en de Griffier der Staten als buitengewone adviseerende leden zullen toetreden. Een ingenieur, die op de hoogte is van stedebouwkundige vraagstukken en een sociaal-1 i econoom zullen als secretaris en adjunct-secretaris kunnen worden | toegevoegd. ‘

B. en W. van Utrecht merken op, dat zij bij de gehouden besprekingen naar aanleiding van het rapport-van Vuuren vooropgesteld hebben dat zij gaarne aan een streekplan zouden medewerken, zoodra overeenstemming zou bestaan over een noodzakelijke grenswijziging. De thans voorgestelde werkwijze achten zij dan ook niet onbedenkelijk.

Zij herinneren er voorts aan dat reeds in 1933 de gedachte aan een streekplan aan de orde is geweest, echter zonder resultaat. Ten aanzien van den omvang van het gebied en de samenstelling van de commissie zijn bij B. en W. nog eenige bezwaren gerezen. Niettemin stellen zij aan den Raad voor in beginsel te besluiten de gevraagde medewerking te verleenen.

Reclameverordening den Haag

De Commissie voor de Strafverordeningen in den Haag heeft een voorstel ingediend tot vaststelling van een afzonderlijke reclameverordening ter vervanging van de artikelen in de Algemeene Politieverordening, die thans ten aanzien van de reclames in het niet-landelijk deel der gemeente van kracht zijn. Het landelijk gebied blijft ook thans buiten beschouwing, aangezien dit bestreken wordt door de provinciale reclameverordening.

De huidige regeling volgt het z.g. repressieve stelsel, d.w.z. dat in

het algemeen geen vergunning noodig is voor het aanbrengen van een reclame, maar dat B. en W. wel bevoegd zijn reclames, die naar hun oordeel uit een oogpunt van welstand niet toelaatbaar zijn, te doen verwijderen. Een belangrijke afwijking hiervan in de geldende Haagsche regeling is echter dat in bepaaldelijk door B. en W, aan te wijzen stadsdeelen, waar naar hun oordeel voor ontsiering van het stadsbeeld gevaar bestaat, het preventieve stelsel is aanvaard, zoodat in die beschermde wijken vergunning moet worden gevraagd, In de praktijk blijkt dit onderscheid tot verwarring en tot een onjuiste rechtsbedeeling te leiden. Ook in de niet-beschermde wijken vragen sommigen namelijk vooraf het oordeel van B. en W„ waarbij zij de kans op een weigering loopen, terwijl anderen, die dat niet doen, in soortgelijke gevallen soms vrij uitgaan,

De thans ontworpen verordening aanvaardt voor de geheele stad het preventieve stelsel. Andererzijds zijn echter sommige nauwkeurig omschreven reclames voor de geheele stad zonder eenige vergunning toegelaten. De gronden voor het weigeren van vergunning zijn eveneens in de verordening omschreven, waarbij slechts ten aanzien van de esthetische kwesties beroep op den gemeenteraad is opengesteld.

Bijeenkomst der streekplancommissies

Op 17 Februari 1.1. heeft op initiatief van het Instituut ten Provinciehuize te Arnhem, in de daartoe welwillend door het Provinciaal Bestuur ter beschikking gestelde Statenzaal, de tweede bijeenkomst der streekplancommissies plaats gevonden. Nagenoeg alle streekplancommissies waren vertegenwoordigd.

De Heer Prof. W. E. Boerman heeft in deze bijeenkomst een lezing gehouden over ~De industrie in het streekplan, mede in verhand met plaats en omvang van de bebouwing." De tekst van deze lezing is elders in dit nummer afgedrukt. Over dit onderwerp is door de aanwezigen uitvoerig van gedachten gewisseld, waarna gelegenheid bestond tot uitwisseling van denkbeelden en ervaringen, die de praktijk van het streekplanwerk in het algemeen betroffen. Ook hiervan werd door velen gebruik gemaakt.

Buitenland

Duitschland

Woningvoorziening

Aanknoopend bij het bericht in het Mei-nummer van den vorigen jaargang, ontleend aan de publicatie ~Die Entwicklung der Deutschen Bauwirtschaft im Jahre 1937”, kunnen we thans over de ontwikkeling in 1938 een en ander mededeelen, waarbij wij putten uit dezelfde publicatie voor 1938.

In het laatste jaar is de woningbouw in Duitschland ongunstig beinvloed, doordat de voorrang moest worden gegeven aan andere opgaven, die uit Staatsoogpunt helangrijker waren. Desondanks vertoont het aantal gereed gekomen woningen, in vergelijking bij de heide voorafgaande jaren slechts een geringe daling, het bedroeg rond 300.000 tegen 340.000 in 1937. Als punten van vooruitgang worden genoemd: de betere beheersching van den nieuwbouw door het Rijk, de sterke toeneming van den bouw van arbeiderswoningen, vooral van die met drie en vier vertrekken; de vooruitgang in de financieele hulp door de overheid bij dezen bouw en de stijging van het aandeel van den bouw van woningen in het openbaar belang. In 1937 kwamen in totaal 154.000 woningen met Overheidssteun tot stand, thans niet minder dan 181.000, dus 60% van alle nieuwe woningen. De Siedlung werd krachtig bevorderd; er werden voorschotten toegestaan voor 34.400 plaatsjes, terwijl garantie werd verleend voor 20.600 andere. Door een en ander steeg het getal plaatsjes, waarvan de bouw met overheidshulp bevorderd is, tot rond 158.000.

Een tweede voorwerp van de financieele hulp van de overheid was de bouw van z.g. Volkswohnungen, met name door aanvullende Rijksvoorschotten. Deze woningen mogen niet meer dan 5000 RM kosten, behoudens enkele mogelijkheden tot overschrijding, De verleende voorschotten ten bedrage van 78,5 millioen RM dienden voor den bouw van ruim 57.000 woningen. Aan het eind van het jaar waren rond 80.000 van dergelijke woningen voltooid en 35.000 in voorbereiding. Voor tweederde van het totale aantal was ook Rijksgarantie ■verleend voor de tweede hypotheek, die het aanvullende Rijksvoorschot voorafgaat.