is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 20, 1939, no 12, 1939

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De medewerking van het hypothecaire crediet was bezwaarlijk, aangezien in Almelo veelal eenige jaren geleden de rente was verlaagd. Daardoor is thans maar in enkele gevallen iets bereikt. Spr. deelt vervolgens een en ander mede over de resultaten. In totaal zijn voor 105 woningen premies aangevraagd. Voor 33 woningen zijn de verzoeken afgewezen.

In de jaren 1936 tot 1938 is in Almelo een systematisch woningonderzoek ingesteld, waarbij de woningen naar hun gebreken zijn ingedeeld in goede woningen, woningen met lichte en woningen met ernstige gebreken. Het bleek dat de overgroote meerderheid van de woningen, waarvoor premie toegekend is, tot de tweede categorie behoort. De vraag rijst wat er verder in Almelo zal gebeuren. Met de aanschrijving van de eigenaren met het oog op woningverbeteworden voortgegaan, waarbij gewezen wordt op de mogelijkheid om premie te verkrijgen. Ten slotte behandelt spr. de vraag, hoe het komt dat de regeling elders vaak minder is toegepast. Dit is z.i. te wijten aan onbekendheid van de regeling, waarin door de pers of door aanschrijvingen te voorzien zou zijn.

De circulaire is een belangrijk middel om achteruitgang en verval van woningen te keeren en is als zoodanig voor de volkshuisvesting van veel gewicht.

De Heer Ir. L. H. J. ANGENOT wenscht het bestuur geluk met de keuze van het onderwerp en met de keuze van de praeadviseurs 1 evens brengt spr. een woord van hulde aan den Heer Dr. Ir. F. Bakker Schut, naar aanleiding van wiens beschouwingen spr. enkele opmerkingen wil maken.

Bij fondsvorming doet zich in het algemeen het bezwaar gelden, dat wij geen waardevast ruilmiddel hebben. Er moet rekening mee qehouden worden dat de waarde van het ruilmiddel onder invloed van allerlei factoren zuiver-monetaire en ook economische verandert. VVil het fonds behoorlijk kunnen werken, dan moet de grootte van het fonds de bouwkosten volgen. Dit is te bereiken door investeering van de middelen van het fonds op groote schaal in gebouwen. Spr. gaat na welken omvang deze investeering zou moeten aannemen en komt daarbij tot een jaarlijkschen aanbouw, gefinancierd door het fonds, van 25.000 woningen, totdat evenwicht tusschen inkomsten en uitgaven zal zijn bereikt. Dan zal ca. 30% van den geheelen woningvoorraad door het fonds gefinancierd zijn en zal de omvang milliard gulden beloopen. Een derqelijke investeering zal allicht tot moeilijkheden op de beleggingsmarkt leiden. Men moet hierbij bedenken, dat wij reeds nu omvangrijke rijksfondsen hebben, die op het oogenhlik over 2 milliard vermogen beschikken, wat wellicht tot 5 milliard zal aangroeien, terwijl daarnevens aanzienlijke reserves van levensverzekeringsmaatschappijen en van particuliere pensioenfondsen geïnvesteerd moeten worden. Als men voor oogen houdt dat ons geheele nationaal vermogen thans rond 18 milhard gulden bedraagt, is het duidelijk, dat het niet qemakkehjk is dit alles veilig en solide te beleggen. De Commissie-Molwerda uit de Maatschappij voor Nijverheid en Handel heeft reeds op de bezwaren van deze groote fondsen gewezen. Spr. vreest dat de moeilijkheden nog grooter zouden worden, als het fonds,’ zooals de Heer Bakker Schut Jr. dat bedoelt, werd ingesteld, en stelt den praeadviseur de vraag of hij aandacht voor dit aspect heeft gehad.

Spr. denkt zich een meer beperkte toepassing van het stelsel, namelijk alieen in te saneeren wijken en voor slechte woningen. Een wijk zou dan tot saneeringsgehied worden verklaard, wat de verplichting tot afschrijving binnen 30 jaar zou meebrengen. Tegen het eind van die periode zou men een begin moeten maken met het sloopen, en overgaan tot herverkaveling en saneering; alsdan zou het desbetreffende deel van het fonds vrijgegeven dienen te worden, terwijl uit de openbare vergoeding voor de afbraakwaarde zou moeten worden toegekend en facultatief een premie van maximaal 10% van de fondswaarde als schadeloosstelling. De grond zou, hetzij in een ruilverkaveling, hetzij in onteigening, vallen. Dit systeem maakt een principieel onderscheid tusschen de in stand te houden gebouwen en de op te ruimen wijken. In de eerste groep is plaats voor woningverbetering, in de andere is deze onwenschelijk. Dit zal ervan weerhouden al te veel kapitaal in woningverbetering te investeeren Het fonds in den gedachtengang van spr. lijkt op de schadeloosstelling aan het eind van den erfpachtstermijn, zooals die in den Haag, en naar spr. meent ook in Amsterdam, wordt verleend. Naast de verplichte afschrijving in slechte wijken zou moeten staan een zelfde verplichting voor mdividueele slechte woningen. Men zou daarbij een termijn van maximaal 15 jaar kunnen stellen met aan het einde de onbewoonbaarverklaring. Spr. wil deze denkbeelden hier niet verder uitwerken.

Het bezwaar van een groot fonds met de daaraan verbonden moeihjkheden voor de beleggingsmarkt zal zich hier niet doen gelden. Spr. merkt ten slotte op, dat in ons land een groote achterstand in de saneering bestaat. Als men vergelijkt wat er in de laatste 40 jaar is gebouwd en wat gesaneerd is, blijkt dit duidelijk. De saneering van Oud-Scheveningen is het grootste voorbeeld, dat wij kennen. Een van de middelen om een stap verder te komen acht spr. de verplichte afschrijving naar zijn systeem. Er is over het beste systeem verschil van meening. De zaak is derhalve rijp voor een commissie !

C)e Heer Ir. M. E. H. TJADEN stelt voorop dat hij zich in het aigemeen met de praeadviezen gaarne kan vereenigen. Slechts hier en daar is bij spr. een vraag gerezen. Tegen de uitlating van den heer van Buuren dat hout een lastig materiaal is, heeft spr. groot bezwaar. Hij voert hiertegen aan een uitlating in het Septemher-nummer van het Tijdschrift. Een waarschuwing past tegen te veel proefnemingen. Amsterdam heeft de bezwaren hiervan ondervonden, met name doordat het noodig is gebieken over groote lengten ondeugdelijke gevels gedeeltelijk af te breken.

De opmerkingen van den Heer van Buuren over de toepassing van de Woningwet onderschrijft spr. Ook in Amsterdam worden de bepalingen inzake woningverbetering op groote schaal toegepast; dit jaar zijn 15.000 verbeteringen voorgeschreven in 8000 woningen, wat omgerekend neerkomt op 3 a 4 % van den woningvoorraad, een percentage, dat klopt met hetgeen de Heer van Buuren voor Dordrecht vermeldt. Men gaat echter in Amsterdam niet verder dan de openbare veilingen. Spr. vraagt den praeadviseur of zijn uitlating over het voorschrijven van woningverbetering bij onderhandschen verkoop een wensch is of werkelijkheid.

Vervolgens deelt spr. bizonderheden mede over de toepassing van de premieregeling in Amsterdam. Er zijn thans in totaal in Amsterdam voor 2107 woningen aanvragen ingediend. Daarvan is de verbetering voltooid in 497 gevallen, terwijl zij in 1218 woningen in uitvoering is. Het bedrag van de toepzegde premies beloopt ruim f 321.000. Over den aard der verbeteringen in 472 woningen kan het volgende overzicht licht verspreiden.

Omschrijving Aantal

L .c . , . . woningen verbetering van de indeeling der woning 200 trappenhuis brandveilig gemaakt 335 nieuwe trap geplaatst J22

verbetering natuurlijke verlichting op het trappenhuis 375 brandvrije plafonds aangebracht iq2 droog-privaat vervangen door een inrichting met waterspoeling 271 voorportaal voor de woning gemaakt, tevens dienende als voorportaal voor het privaat -j/ca L.- . . ,

douche-inrichting gemaakt 142 verbetering der ventilatie in alle kamers en de keuken van een woning verbetering van de alkoof (zoowel doorspuibare als niet doorspuibarej behang op betengeling vervangen door behang op bepleistering ;..... . 385 verbetering van de verdiepinghoogte tot minimum 2.50 m...... 38 algemeene onderhoudsverbeteringen 398

opmerking van den Heer Wilkens omtrent moeilijkheden bij de uitbetaling, vraagt spr. of in dat geval wel alles in orde is geweest met de rekening.

Met Mevrouw van der Pek is spr. het eens dat ontevredenheid over de bestaande woningtoestanden een belangrijke factor is, maar dit mag ons met doen voorbijzien dat in Amsterdam onder den Heer 1 ellegen en zijn opvolgers heel wat bereikt is. De krottenwijken van Uilenburg en Valkenburg o.a. zijn geheel verdwenen. Juist het verschijnsei van de z.g. ongewilde woning is een bewijs van den voor-Uitgang, van de opvoeding der bewoners.

De woonwagens en woonschepen, die Mevrouw van der Pek eveneens ter heeft gebracht, zijn in aantal aanmerkelijk achteruitgegaan. Het aantal woonschepen, dat te Amsterdam 800 tot 1000 geweest IS, bedraagt nu ca 125; het aantal woonwagens, dat vroeger varieerde tusschen 80 en 140, is nu slechts 25 meer. Naar aanleiding van hetgeen Mevrouw van der Pek heeft uiteengezet over de bewoning, maakt spr. nog enkele aanvullende opmerkingen. Hg wijst op het belang van een goed geoutilleerden reinigingsdienst en van een goed doorgevoerde scheiding van woon- en eischen van brandvrijheid en waterspoeling worden tegenwoordig ook al door de bewoners gesteld, en woningen