is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 21, 1940, no 9, 1940

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gemeente Barneveld:

Rubriek Aantal Vorderingen van den wederopbouw panden a 14 alle in voorbereiding

b 70 alle gereed c 99 op 1 na gereed d 77 alle gereed

Gemeente Nij kerk:

Rubriek Aantal Vorderingen van den wederopbouw panden a 18 alle in voorbereiding

b 75 27 gereed, overige in uitvoering c 129 61 gereed, overige in uitvoering d 86 61 gereed, overige in uitvoering Gemeente Ede:

Rubriek Aantal Vorderingen van den wederopbouw panden a 58 40 in voorbereiding

b 48 23 gereed, 10 in uitvoering, 15 in voorbereiding c 155 137 gereed, 18 in voorbereiding d 127 104 gereed, 23 in voorbereiding

Gemeente Scherpenzeel:

Rubriek Aantal Vorderingen van den wederopbouw panden a 59 9 in voorbereiding

b 63 10 gereed, 22 in uitvoering, 1 in voorbereiding c 119 20 gereed, 46 in uitvoering d 209 94 gereed.

Gemeente Wageningen:

Rubriek Aantal Vorderingen van den wederopbouw panden

a 151 enkele in voorbereiding, de overige wachten op de vaststelling van het wederopbouwplan

b 262 188 gereed, 78 overige in uitvoering c 443 practisch alle gereed

d 245 practisch alle gereed

De woningen van de bouwvereenigingen Vereeniging Volkswoningbouw, Patrimonium, Irene en de gemeente, benevens de gemeente-gebouwen (schade te zamen bijna ƒ 200.000.—) en de gebouwen van de Landbouw-Hoogeschool zijn in deze opgave niet inbegrepen. Deze gebouwen zijn voor een groot gedeelte reeds hersteld, dan wel zijn de herstellingen in uitvoering.

Het Centraal' Bureau der Rotterdamsche Architecten (C. B. R. A.)

De redactie verzocht mij in deze kolommen iets te schrijven over het Centraal Bureau der Rotterdamsche Architecten (C, B. R. A,), dat vrij spoedig na de ramp, die onze stad trof, in het leven werd geroepen, een verzoek waaraan ik gaarne voldoe.

leder, die Rotterdam na de catastrophe van 14 Mei j.l.

bezocht, zal kunnen begrijpen wat er al niet in de harten der Rotterdammers moet zijn omgegaan, toen zij de ~oude stad” in vlammen zagen opgaan. Ónmogelijk was het, direct daarna, eenig begrip te krijgen van den omvang van al het doorstane leed, van het verlies van cultureele waarde. Eerst later kon de balans worden opgemaakt en kon worden vastgesteld wat er verloren is gegaan aan objecten van economische en geschiedkundige beteekenis. Hoewel dus de ramp niet terstond op de juiste diepte kon worden gepeild, toch was er reeds toen de wetenschap, dat zeer veel zou moeten worden afgeschreven.

De ellende was zeer groot en elkeen, die den toestand weer meester was, moest zich afvragen op welke wijze hij kon helpen. Individueel hebben toen eenige architecten hun hulp aangeboden aan den Gemeentelijken Technischen Dienst: waar men deze assistentie zou behoeven en van welken aard ook, zij zou verleend worden. Het is dezelfde drang tot medewerking geweest, die een week na den fatalen dag een 10-tal Rotterdamsche architecten bij elkaar bracht, teneinde met elkaar te overleggen hoe in geordend verband productieve hulp kon worden geboden.

Een juiste kijk op de omstandigheden was toen nog niet aanwezig, doch het zoo noodige contact was gelegd, de aanraking met de collega’s was er, die nu eenmaal noodzakelijk is om tot een gemeenschappelijke daad te komen. Later heeft men niet geschroomd de oprechtheid der bedoelingen van deze architecten in twijfel te trekken en hun beweegredenen gekwalificeerd als het werken voor eigen parochie. Het C. B. R. A. is echter gesticht om waar het ook mogelijk was, anderen te helpen, niet het laatst de Rotterdamsche architecten, die het zwaarst waren getroffen. Een viertal architecten, de Heeren H. Kraayvanger, J. P. L. Hendriks, Ir. W. van Tyen en C. Elffers werden aangewezen het Centraal Bureau te leiden, terwijl aan den laatste het secretariaatswerk werd opgedragen.

Zeer spoedig werd het contact met den Gemeentelijken Technischen Dienst verstevigd en konden eenige architecten allerhande technische werkzaamheden verrichten. Men overwege, dat het archief van den Gemeentelijken Technischen Dienst en van de Bouwpolitie geheel was verloren gegaan, dat geen enkele kaart en situatieteekening meer aanwezig was dan die, welke bij een of anderen dienst werden aangetroffen en men begrijpt, welk een hoeveelheid werk hier te verrichten viel.

In een bijeenkomst, waartoe zooveel mogelijk alle in Rotterdam gevestigde architecten waren uitgenoodigd, is een uiteenzetting gegeven van de taak, die het C. B. R. A. zich had gedacht, waarvan het resultaat was, dat dit lichaam de belangen van alle Rotterdamsche architecten zou behartigen, terwijl de genoemde vier Heeren in hun functie als lid van het Bureau werden bevestigd. Hoewel het werk van het Bureau op de vergadering nog niet duidelijk en nauwkeurig kon worden omschreven, werd toch gedacht, dat het leiding zou geven bij het treffen van voorzieningen op bouwkundig gebied, n.l. t.a.v. noodwoningen, noodwinkels enz. De werken, die niet door een particulieren opdrachtgever werden bekostigd, doch die door de overheid zouden worden betaald, zouden door het C. B. R. A. onder de verschillende architecten worden verdeeld, allereerst onder hen, die zelve door de ramp groote verliezen hadden geleden.