is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 22, 1941, no 1, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen type VII, 31 woningen type VIII, 11 woningen type X, 2 woningen type XI, 1 woning type XII, 3 winkels met woning type Wl, 1 woning met winkel type W 2 en 1 waterstokerij met woning type W.S. De totale inhoud van de beide groepen, inclusief de schuren, bedraagt 158.500 zoodat de prijs per teruggerekend van de reeds genoemde aannemingssom f 16.40 bedraagt. De huren zijn gesteld op f 5.50 per week voor de normale woningen. De grootere typen zullen ongeveer f I. doen, de winkels f 8.50 per week.

Gemiddeld hebben de woningen 2,62 slaapkamers, zoadat het plan huisvesting biedt aan 2250 a 2500 personen. Naast de bouwkosten moeten de kosten voor den grond worden genoemd. Deze bedragen volgens schatting f 883.000. —, waarin begrepen een gedeelte oud-bezit van ~Vreewijk”, dat betrekkelijk zwaar op de exploitatie drukt.

Bouwplan ~de Vaan”

Inmiddels is met „Vreewijk” overleg gepleegd over de uitvoering van een plan van ± 1000 woningen ten westen van den Dordtschestraatweg op het zoogenaamde complex „de Vaan”.

Reeds vóór enkele jaren was voor deze terreinen een ontwerp gemaakt ten behoeve van verdreven krotbewoners. Het ligt in de bedoeling dit plan thans, nu de krotopruiming wel zeer rigoureus is uitgevoerd, opnieuw ter hand te nemen, zij het al in zeer gewijzigden vorm.

Voorloopig wordt gerekend, dat vóór Mei met den bouw wordt begonnen. Het bureau Granpré Molière, Verhagen en Kok, dat ook dit plan verzorgt, zal, rekening houdende met de materiaalvoorschriften, tot aanmerkelijke wijzigingen in de voor dit bureau gebruikelijke vormgeving moeten komen. Het zal er de handen mede vol hebben!

De bij dit artikel behoorende afbeeldingen zijn welwillend ter beschikking gesteld door den Gem. Technischen Dienst te Rotterdam,

De beweging der huren in de naaste toekomst

door Mr. J. in ’t Veld

Het niet te weerspreken feit, dat de bouwkosten van een nieuwe woning thans belangrijk hooger komen dan een goed jaar geleden, roept een probleem op, dat zeker een nadere beschouwing waard is.

Nieuw is het probleem niet, want door de tijden heen hebben perioden van hooge prijzen en hooge renten met vrij groote regelmaat perioden van lage prijzen en lage renten afgewisseld. Dit gaf uiteraard tot moeilijkheden aanleiding, niet zoozeer in tijden van opgaande conjunctuur dan wel in depressie-perioden. Bij opgaande conjunctuur pasten huurprijzen en loonen zich wel aan. Alleen de menschen met vaste inkomsten of met slechts langzaam zich aanpassende loonen werden gedupeerd. Daartegenover maakten bezitters van oude huizen dikwijls ongemotiveerde winsten, doordat de huren van hun panden geleidelijk konden worden opgevoerd tot het peil van de nieuwe, zooveel duurdere woningen. Bij intreden van de depressie volgden dan de ~stroppen”. Met prijzen en loonen gingen ook de huren naar beneden, met het gevolg, dat de eigenaren van de laatst gebouw-

de en de koopers van oude huizen hun rekening niet meer zagen sluiten.

De verscherpte conjunctuurbeweging na den vorigen wereldoorlog heeft al deze bezwaren en moeilijkheden nog geaccentueerd. In de jaren 1919, 1920 en 1921 namen prijzen, loonen en rente een dusdanige vlucht, dat het niet meer mogelijk bleek op normale wijze redelijke woningen tegen een draaglijke huur aan de markt te brengen. Met allerlei kunstmiddelen (huurbijslagen voor door gemeenten en woningbouwvereenigingen gebouwde woningen; bijdragen a fonds perdu en hypotheek-regelingen voor particulieren bouw) moest de aanbouw van woningen gestimuleerd worden. Dit stelde hooge eischen aan de overheidskassen, maar men had geen andere keus. Ook in de daarop volgende jaren deden de typische moeilijkheden van de depressie-periode zich in versterkte mate gelden. Zelfs de door middel van bijslagen en bijdragen gedrukte huren bleken in vele gevallen nog te hoog. Dit bracht menige woningbouwvereeniging in moeilijkheden, daar de aldus ontstane tekorten ongedekt bleven. Nog steeds is daarvoor geen bevredigende regeling getroffen. Ook tal van particuliere huizenbezitters zagen door de daling van de huren hun rekening in de war gestuurd. Daardoor kwamen weer de verleende hypotheken in het gedrang, hetgeen opnieuw belangrijke ~stroppen” voor de overheidskassen beteekende.

Het is begrijpelijk, dat de geestdrift voor een onbeheerschte conjunctuur onder deze ervaringen nog al te lijden heeft gehad. Vandaar dat de drang om te komen tot een beheersching van de conjunctuur steeds sterker wordt. Ook in het regeeringsbeleid komt dit tot uiting. Uitgangspunt voor het economisch beleid is thans: een zoo veel mogelijk stabiel houden van prijzen en loonen. Dit lofwaardige streven heeft echter een stijging van de prijzen van een groot aantal materialen niet kunnen verhinderen. Daaraan zijn wel in de eerste plaats de transportmoeilijkheden schuldig. Voorts zijn verschillende grondstoffen niet meer te krijgen, hetgeen noodzaakt tot toepassing van duurdere vervangingsmiddelen.

Hoe dit zij, een feit is, dat de kosten van den bouw van woningen thans belangrijk hooger zijn dan een jaar geleden en dat dus ook de daarvoor te bedingen huren naar evenredigheid hooger moeten zijn.

Om eenig idee te hebben, hoe het hiermede gesteld is, heb ik een vergelijkend overzicht laten maken van een groep woningen, in Zaandam gebouwd door een woningbouwvereeniging ter vervanging van krotwoningen, volgens de werkelijke prijzen in de tweede helft van 1939 en de prijzen, welke thans gelden.

Volgens dit overzicht kwamen de bouwkosten toen op rond ƒ 2300 per woning, thans op ± ƒ 4500 per woning. Gaat men er van uit, dat de overige kosten (grond, belastingen, waterleiding, enz.) voorloopig gelijk blijven en ook geen hoogere rente zal worden berekend, dan zal de huur om tot een sluitende rekening te komen thans moeten bedragen f 6,50 per week, tegenover f 4,50 per week voor de reeds gebouwde woningen.

Voor de naaste toekomst moet voorts ongetwijfeld mede rekening worden gehouden met een stijging van den grondprijs. Ook de kosten van straataanleg gaan immers omhoog, hetgeen tot uitdrukking moet komen in den grondprijs. Naar voorloopige schatting zal deze verhoogd moeten worden van f 6 tot f 8 per Dit maakt