is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 22, 1941, no 2, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eenige gedachten over de volkshuisvesting ten plattelande

door Rector van Helvoort

Sinds 1901, toen de Woningwet haar intrede deed in Nederland, is er aan de vele problemen, die een goede volkshuisvesting opwerpt, met veel ijver en vrucht gewerkt. En niet het minst aan de krachtige werkzaamheid van oud-minister Aalberse is het te danken, dat de Nederlandsche volkshuisvesting mijlen ver vooruit was op die in het buitenland. Zijn er dan nog werkelijk belangrijke dingen te doen op het gebied van de volkshuisvesting? Zijn er nog belangrijke wenschen ter vervulling overgebleven? Er mag op deze vragen gerust ja geantwoord worden, naar mijn meening. Want al mogen wij in de bestaande wet van 1901, met haar successievelijke wijzigingen, een goede en zegenrijke wet bezitten, dan is toch de uitvoering der Wet niet altijd geweest, wat men wenschen kan, vooral niet ten plattelande. Het zijn daarom vooral problemen van uitvoering, die op het oogenblik ons zullen bezighouden, meer dan problemen over het karakter van de wet zelf. En het kan zijn nut hebben, hier eenige gedachten over die uitvoering neer te schrijven, nu een nieuw wetsontwerp aangaande de volkshuisvesting is gepubliceerd, dat de bedoeling heeft te zijner tijd in de plaats te treden van de thans bestaande wet. Intusschen zou ik met betrekking tot het karakter van de oude wet en haar uitvoering toch één, naar mij toeschijnt, belangrijke opmerking willen maken, en wel de volgende: zooals wij de uitvoering kennen, stelt zij zich, vooral in de financieele paragrafen, grootendeels op het standpunt van de huurwoning. Moge deze misschien op haar plaats zijn in de stedelijke volkshuisvesting, niet minder is het de ervaring, dat op het platteland de eigen woning veel en veel meer in tel is, en hoog op prijs wordt gesteld.

In dit verband kan ik niet nalaten te wijzen op het K.B. van 30 Oct. 1934, over het bouwen van woningen met tweede hypotheek; op de landarbeiderswet van 20 April 1918; op de circulaire van 5 Mei 1930, die handelt over de eigendomsoverdracht van Woningwet-woningen; op de circulaire van 25 Juli 1927 aangaande de zoogenaamde E.W.P.-regeling; en op de circulaire van 7 Juni 1928 over de verbetering van eigen woningen ten plattelande. Misschien zou men uit de veelheid van circulaires betreffende de eigen woningen ten plattelande de conclusie mogen trekken, dat de wetgever zelf ook eenige lacune in de vigeerende wet heeft gevoeld. En hiermede meen ik te mogen volstaan, wat de wet zelf betreft, om nu de uitvoering der wet en wat er zooal rondom staat onder het oog te nemen.

Zooals men zich zal herinneren, eischt de Woningwet in art. 1 (vgl. art. 74 nieuwe wetsontwerp) drieërlei voorschriften. door de gemeenteraden vast te stellen: De eerste categorie voorschriften heeft betrekking op nieuwbouw of verbouwing van woningen. De tweede categorie voorschriften heeft betrekking op de in-gebruik-zijnde woningen; den bestaanden woningvoorraad dus.

De derde categorie voorschriften heeft betrekking op de bewoning.

Aansluitende aan deze drie categorieën voorschriften.

zouden wij ook drieërlei uitvoeringswerkzaamheid kunnen onderscheiden, betrekking hebbend op: a) nieuwbouw en verbouwing van woningen;

Artikelen

b) den bestaanden woningvoorraad; c) de bewoning.

De organen, welke met deze drievoudige uitvoeringswerkzaamheden zijn belast, zijn allereerst B. en W. en de gemeenteraad, die de geëischte voorschriften vastleggen in een z.g. bouwverordening en de door hen aan te stellen ambtenaren van Bouw-, Woning- en Welstandstoezicht, die ervoor hebben te waken, dat de voorschriften, binnen het kader van art. 1 der Woningwet, stipt worden onderhouden.

Wat is nu echter het geval?

Voorzeker kan men aannemen, dat B. en W. en de gemeenteraden van iedere gemeente in Nederland sinds 1901 zoover zijn gevorderd, dat zij een bouwverordening hebben vastgesteld. In 1927 viel de regeering over de groote verscheidenheid van bouwverordeningen in den lande, en sindsdien is hierin veel verbetering en uniformiteit gebracht, zoodat de bouwverordeningen in het algemeen goed zijn.

Anders staat het evenwel met de door B. en W. aan te stellen ambtenaren van het gemeentelijk bouwtoezicht. Zelfs nu. bijna 40 jaren na de totstandkoming der Woningwet, kan men gerust zeggen, dat dit toezicht onvoldoende en slecht is, tenminste op het platteland. Verschillende oorzaken hebben tot dezen ellendigen toestand het hunne bijgedragen, en daarvan zijn, naast een veelvuldig gebrek aan belangstelling en toewijding, vooral de inderdaad hooge kosten voor een goed bouwtoezicht te maken, de hoofdoorzaak. En dikwijls verhinderde de geringe bereidheid van aan elkaar grenzende gemeenten de invoering van de in 1931 in de Woningwet ingelaschte samenwerking van gemeenten op dit gebied.

De funeste gevolgen van het ontbreken van een behoorlijk gemeentelijk bouwtoezicht bleven dan ook niet uit. En deze moeten niet onderschat worden.

le. Ten opzichte van nieuwbouw of verbouwing viel daarmee bijna iedere controle, of de bouwverordening en dus de Woningwet werd nageleefd. En wat kan het handlichten hiermede niet een groote schade toebrengen aan de moreele en de physieke gezondheid van het volk. 2e. Ten opzichte van den bestaanden woningvoorraad was het gevolg van het ontbreken van contróle een ontstellende onwetendheid van de gemeentelijke overheid, of hun gemeentenaren allen verzekerd waren van een menschwaardige woning. De ambtenaren van het bouwtoezicht op nieuwbouw en verbouwing hielden zich nooit erg bezig met het controleeren der in gebruik zijnde woningen, of deze nog wel voldeden aan de desbetreffende voorschriften; maar dan waren er tot 1934 toch nog de gezondheidscommissies, die, soms met veel ijver, de gemeentebesturen wezen op menig onmenschwaardig woonverblijf. Maar na 1934 toen de gezondheidscommissies ophielden te bestaan, werden de gemeentebesturen zeer veel minder opmerkzaam gemaakt op groeiende, ergerlijke toestanden van krotbewoning, van het kwaad van woonwagens en woonschepen, van de z.g. weekendhuisjes, enz.

Het is mijn overtuiging, dat dit deel van de volkshuisvesting ten plattelande door de plaatselijke autoriteiten ten zeerste verwaarloosd is.