is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 22, 1941, no 3, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

~maar deze kunnen volledig getorpedeerd worden door ~lintbebouwing (lees bebouwing) buiten het partieele ..plan.”

De schrijver raakt hier zeker aan een der gevoeligste kanten van het uitbreidingsplan. De gemeentebesturen hebben zich te lang tevreden gesteld met partieele plannen (stratenplannen), en bebouwing van het hierbuiten gelegen, dus ~landelijk” gebied, overgelaten aan de bouwverordening.

Toen ik, omstreeks 9 jaar geleden, voor het eerst kennismaakte met de practijk van het uitbreidingsplan, boeide mij het meest deze zijde van het probleem. Ik zag overal de vlucht uit het ..plan in onderdeelen”, de ongebreidelde lintbebouwing langs de uitvalswegen rondom onze steden en de grootere dorpen; de toenemende uitzaaiing van arbeiders- en burgerhuisjes langs zandwegen, vaarten, wijken, slooten, en zelfs niet zelden lukraak te midden van velden en van bosschen.

Zoo ontstond b.v. in het Groningsche Haren de ± 10 km lintbebouwing vanaf het voormalige ~Helpman” tot ~de Punt”, waar aanvankelijk slechts eenige groote buitenplaatsen en boerderijen stonden. Vervolgens werden de verharde en onverharde achterwegen bebouwd, de eene zandweg na de andere is sindsdien tot straat geworden. Eerst eenige jaren geleden is deze ongebreidelde bebouwing tot staan gekomen en een uitbreidingsplan voor deze geheele gemeente vastgesteld. Inmiddels heeft de rijksweg naar Assen als verkeersweg zijn beteekenis verloren, de bebouwing is te intensief geworden, het aantal uitwegen veel te groot.

De z.g. Meerweg, van Haren naar Paterswolde, 20 jaar geleden nog onbebouwd, werd over bijna de geheele lengte, ± 4 km, volgebouwd; voor zoover mogelijk, aan weerszijden.

Ook de weg Groningen-Eelde prijkt door de gemeenten Haren en Eelde aan weerszijden met huizen. Vooral aan het weggedeelte door de gemeente Haren is huis aan huis gerijd.

In de richting Peize is de toestand weinig beter. Aan de Peripherie der gemeente Groningen, 1| km van de stedelijke bebouwing en 4 km van het dorp Hoogkerk, zijn in laatstgenoemde gemeente vele tientallen huizen in een lange rij verschenen en nog wel grootendeels aan de N.-zijde van den weg, achter de trambaan naar Drachten, waardoor een in alle opzichten betreurenswaardige toestand is ontstaan.

Naar het Oosten (Delfzijl) strekt zich de lintbebouwing in de gemeente Noorddijk tot voorbij Ruischerbrug uit. Om van den rijksweg naar Winschoten—Nieuwe Schans en de overige wegen maar te zwijgen. Aan geen hiervan kan van een kern gesproken worden.

Hier, als elders, zijn systeemloos honderden huizen gebouwd voor menschen, die georiënteerd op de stad, den weg van den minsten weerstand hebben gezocht, en een plaatsje vonden aan een der vele toegangswegen in de randgemeenten; de een voor zijn woonhuis, de ander voor zijn café of winkel, voor een opslagplaats, een garage of een fabriek. Een bonte en lang niet schoone rij. Het gemeentebestuur van Groningen heeft dit, zonder twijfel, met spijt moeten aanzien. De plattelandsgemeentebesturén hebben zich hier als elders verheugd over hun plotselingen groei (men spreekt gaarne van bloei). De verkeerswegen zijn bedorven, de rijks-, provincialeen gemeentelijke overheidsdiensten noodeloos extra be-

last, de slooten vervuild, de bodem verontreinigd. En dan, hoe leelijk is dit alles geworden, De lintbebouwing langs den rijksweg naar Delfzijl in de reeds genoemde gemeente Noorddijk zal moeilijk te overtreffen zijn, ofschoon ik gaarne toegeef dat de bebouwing langs verschillende toegangswegen naar Utrecht en Amsterdam in dezen een alleszins verdiende reputatie geniet.

Wellicht is het kwaad, hoewel minder in het oog vallend, van de bebouwing los van de verharde wegen, zóómaar als door een reuzenhand ergens neergeplaatst, nog grooter. Men zie in dezen eens de bebouwing in vele Friesche, Groningsche, Drentsche en Overijsselsche gemeenten, om mij tot de noordelijke provincies te beperken.

Hoe groot was niet het leed van deze menschen gedurende den vorigen winter, toen maanden aaneen sneeuw en ijs al deze verspreide woningen onbereikbaar maakten voor den leverancier, voor de post, en wat dikwijls nog erger was, voor den dokter. In sommige streken konden de kinderen weken lang de school niet bereiken, in elk geval waren deze woningen van vier uur ’s middags tot acht uur ’s morgens geïsoleerd.

Men denke aan de vele fabrieksarbeiders b.v. in de gemeenten Ambt-Hardenberg, Vriezenveen en Den Ham, die zóó wonen; aan de tallooze veenarbeiders ook in de gemeenten Emmen, Schoonebeek en Hoogeveen, aan de vele werkloozen, die over onbegaanbare wegen dagelijks naar het stempellokaal moesten trekken.

In een enkele gemeente zijn rijtjes arbeidershuizen achter _ elkaar verrezen, coulissenbouw. Een voetpad voert er in zig-zag “ voor langs. Het is om de woning te doen, de plaats doet niets ter zake. Ongetwijfeld is deze bouwwijze geïnspireerd door de methode der Staphorster en Vriezenveensche boeren, die door gebrek aan frontbreedte en tot bedrijfssplitsing gedwongen op hun smalle beerden, zes, zeven, soms acht boerderijtjes achter elkaar hebben gebouwd. In een der mooie beukenbosschen van Beetsterzwaag is dicht opeengedrongen, met de achtergevels naar het wandelgedeelte en hiervan gescheiden door een sloot, een rij arbeidershuizen gebouwd; van fï«»n min.<sten weerjsfand.

Ook de slop-bebouwing komt op het platteland voor. Een speculant koopt een smallen akker; veertig meter breedte is voldoende. Hij maakt een doodloopend wegje van 5 a 6 m breedte en rijt er links en rechts de woningen aan. Dikwijls ziet men zelfs gesloten bebouwing toegepast.

In vele gemeenten werd en wordt nog steeds vrijwel elke bouwaanvrage toegestaan. Dit is heel erg, maar erger is, dat bij tientallen plattelandsgemeentebesturen, waaronder zeer groote, de behoefte aan een betere regeling van de bebouwing van het landelijk gebied ontbreekt, evenals tien jaar geleden.

Van deze noodzakelijkheid was ik, gelijk gezegd, van den aanvang mijner stedebouwkundige taak af, door-