is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 22, 1941, no 5, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

huurder den verhuurder de verplichting opleggen, den huurder de noodzakelijke kosten van verhuizing binnen de gemeente geheel of ten deele te vergoeden, indien hem zulks, gelet op de omstandigheden en de economische belangen en maatschappelijke behoeften van beide partijen naar billijkheid in aanmerking genomen, redelijk voorkomt.

Artikel 9

(1) Dit besluit treedt in werking op den dag zijner afkondiging. (2) Het wordt aangehaald als „Huurbeschermingsbesluit 1941". (3) Het is mede van toepassing op gedingen, die ten tijde der inwerkingtreding van dit besluit bij den rechter aanhangig zijn.

’s-Gravenhage, 25 April 1941

(Verordeningenblad voor het bezette Nederlandsche gebied, uitgegeven 26 April 1941; stuk 17, no. 81)

Instelling van een Rijksdienst voor het Nationale Plan

Besluit van de Secretarissen-Generaal van de Departementen van Binnenlandsche Zaken, van Financiën, van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming, van Waterstaat, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visscherij betreffende de instelling van een Rijksdienst voor het Nationale Plan

Op grond van § 1 der Verordening No. 23/1940 en in overeenstemming met de §§ 2 en 3 der Verordening No. 3/1940 van den Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche gebied wordt bepaald;

Artikel 1

(1) Ten behoeve van de ruimtelijke ordening der nationale belangen, het toezicht op de ruimtelijke ordening van de streekbelangen en gemeentelijke belangen en het onderzoek, dat als basis voor deze ordening zal dienen, wordt een Rijksdienst voor het Nationale Plan ingesteld.

(2) Aan het hoofd van den Rijksdienst voor het Nationale Plan staat een President; deze ressorteert onder den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken. (3) Als onderdeelen van den Rijksdienst worden ingesteld: 1) een Raad van Bijstand; 2) een Vaste Commissie; 3) andere Commissiën, welke naar behoefte worden ingesteld; 4) een Bureau.

(4) De President van den Rijksdienst heeft de algemeene leiding van de ter zake vereischte werkzaamheden. Idij is voorzitter van den Raad van Bijstand. Hij benoemt en ontslaat de leden van den Raad van Bijstand, den voorzitter en de leden van de Vaste Commissie en van de andere commissiën, den Directeur van het Bureau en de daaraan verbonden ambtenaren. (5) De Raad van Bijstand wordt geraadpleegd over belangrijke vraagstukken. De Vaste Commissie is belast met de leiding der planologische werkzaamheden, waarvan de uitvoering berust bij het Bureau. (6) De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken geeft nadere voorschriften betreffende de taak en de bevoegdheden van den Raad van Bijstand, de Vaste Commissie, de andere commissiën en het Bureau.

Artikel 2 (1) De Rijksdienst voor het Nationale Plan heeft tot taak de centrale ruimtelijke ordening en coördinatie van planologische maatregelen voor het geheele gebied des Rijks.

(2) De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken geeft voorschriften nopens de wijze van voorbereiding, vaststelling en wijziging van een Nationaal Plan en nopens de rechtsgevolgen daarvan ten aanzien van de planologische maatregelen in de deelen des Rijks,

(3) Het Nationale Plan wordt vastgesteld en, zoo noodig, gewijzigd door den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken, gehoord den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur.

Artikel 3 De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken geeft algemeene voorschriften nopens de voorbereiding, vaststelling en wijziging van streekplannen en nopens de rechtsgevolgen daarvan ten aanzien van de gemeentelijke planologische maatregelen. Artikel 4

(1) Op verzoek van en in overleg met den President van den Rijksdienst voor het Nationale Plan kan de Secretaris-Generaal van het Departement van Opvoeding, Wetenschap en Cultuurbescherming:

1) een of meer universiteiten en/of hoogescholen aanwijzen, waar een studiecentrum zal worden ingesteld ten behoeve van het onderzoek, naar welke grondslagen de ruimtelijke ordening van de nationale, streek- en gemeentelijke belangen zal dienen te geschieden;

2) de hoogleeraren aanwijzen, die met de leiding van deze studiecentra worden belast.

(2) De leiders van deze studiecentra vormen te zamen een commissie, als bedoeld in artikel I, derde lid, onder 3, (3) De President van den Rijksdienst stelt het programma van het onderzoek op, na deze commissie te hebben gehoord.

Artikel 5

(1) De President van den Rijksdienst voor het Nationale Plan kan voorschrijven, dat en op welke wijze bepaaldelijk aan te duiden objecten in een streekplan of in een uitbreidingsplan moeten worden opgenomen.

(2) De openbare lichamen zijn verplicht aan den President van den Rijksdienst voor het Nationale Plan of aan het door hem daarmede te belasten Bureau op verzoek tijdig van voorgenomen grondaankoopen en werken mededeeling te doen en alle gevraagde gegevens te verstrekken. Gelijke verplichting geldt met betrekking tot voorgenomen werken voor andere rechtspersonen en voor natuurlijke personen.

(3) De President van den Rijksdienst kan tegen door openbare lichamen voorgenomen grondaankoopen en tegen het uitvoeren van door die lichamen of door andere rechtspersonen of door natuurlijke personen voorgenomen werken bezwaar maken, indien de grondaankoop of het voorgenomen werk in strijd zou zijn met het Nationale Plan, een streekplan, een uitbreidingsplan, een in voorbereiding zijnd ontwerp of een in voorberei-

ding zijnde wijziging daarvan. (4) Tegen een door den President van den Rijksdienst op grond van het bepaalde in het vorige lid gemaakt bezwaar kan overeenkomstig door den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken nader vast te stellen regelen hij dezen beroep worden ingesteld. De Secretaris-Generaal beslist, den Raad van State, afdeeling voor de geschillen van bestuur, gehoord.

(5) Het is verboden grond aan te koopen of een werk uit te voeren, nadat daartegen bezwaar is gemaakt en zoolang niet een daartegen ingesteld beroep gegrond is verklaard. Werken, welke in strijd hiermede zijn begonnen of tot stand gebracht, kunnen van Rijkswege op kosten van den overtreder ongedaan worden gemaakt.

Artikel 6

(1) De kosten, gemaakt ter uitvoering van de artikelen 1 en 4, komen ten laste van het Rijk. (2) De kosten, gemaakt voor de voorbereiding, vaststelling en wijziging van streekplannen, komen ten laste van de betreffende

provincie. (3) De Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken kan aan openbare lichamen, ten behoeve waarvan ingevolge bepalingen van het Nationale Plan of van een streekplan overeenkomstige bepalingen in een uitbreidingsplan moeten worden opgenomen, na de besturen dier lichamen te hebben geboord, de verplichting opleggen de hoogere kosten, welke het gevolg zijn van het opnemen van bedoelde bepalingen in een uitbreidingsplan, geheel of gedeeltelijk aan de gemeente te vergoeden.

(4) De kosten, voortvloeiende uit het tweede lid en voor zoover het betrokken openbare lichaam een provincie is uit het derde lid en uit artikel 5, vijfde lid, worden geacht te behooren tot de uitgaven, in artikel 107 der provinciale wet bedoeld. Artikel 112 dier wet is van toepassing.

(5) De kosten, voortvloeiende voor zoover het betrokken openbare lichaam een gemeente is uit het derde lid en uit artikel 5, vijfde lid, worden geacht te behooren tot de uitgaven, in artikel 240 der gemeentewet bedoeld. Artikel 247 dier wet is

van toepassing. (6) Ten aanzien van kosten, voortvloeiende . voor zoover het betrokken openbare lichaam een waterschap, veenschap of veenpolder is uit het derde lid en uit artikel 5, vijfde lid, is artikel 61 van de Waterstaatswet 1900 van toepassing.

Artikel 7 (1) Het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 5, tweede lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van ten hoogste driehonderd gulden.

(2) Overtreding van het bepaalde in artikel 5, vijfde lid, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geld-

boete van ten hoogste twee duizend gulden. (3) De in de vorige leden strafbaar gestelde feiten worden beschouwd als overtredingen.

(4) Indien deze feiten door of vanwege een rechtspersoon worden begaan, wordt de strafvervolging ingesteld en de straf uitgesproken tegen hem, die de opdracht tot de strafbare handeling gegeven heeft of die de feitelijke leiding had bij het verboden handelen of nalaten.

Artikel 8

De President van den Rijksdienst voor het Nationale Plan, de leden van de Vaste Commissie, de Directeur van het Bureau, de leiders van de studiecentra, de krachtens machtiging van den Pre-