is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 22, 1941, no 10, 1941

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De VOORZITTER wijst erop, dat het bestuur reeds in Februari van dit jaar op verhooging der normen heeft aangedrongen. In Juni is van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken een afwijzend antwoord ontvangen. In den bewusten brief wordt er met name op gewezen, dat de onderhoudskosten nog niet tot boven het peil van 1930 zijn gestegen. Verder wordt er in dit antwoord op gewezen, dat de schaarschte aan materialen toch reeds in de hand werkt dat het onderhoud niet zóó plaats vindt, als zulks in normale tijden gewenscht zou worden geacht, zonder dat nu aanstonds van verwaarloozing gesproken behoeft te worden.

Natuurlijk kunnen wij niet zonder meer zeggen, dat wanneer de bouwkosten met een zeker percentage omhoog gegaan zijn, de onderhoudskosten evenredig gestegen zijn. Want de loonfactor speelt bij het onderhoud een veel belangrijker rol dan bij den nieuwbouw. Toch laat de toestand veel te wenschen over. De onderhoudsfondsen worden thans uitgeput en als er straks weer gelegenheid zal zijn om onderhoudsmaterialen in voldoende mate te betrekken, dan is er geen geld. Daarom moet de onderhoudsnorm omhoog, opdat ook al kunnen wij het geld niet onmiddellijk uitgeven, voldoende wordt gereserveerd voor de uitgestelde voorzieningen. Het bestuur kan met de ingediende voorstellen in beginsel accoord gaan en zal gaarne opnieuw een poging doen om herziening van de onderhoudsnormen te bewerkstelligen. Dit geldt evenwel niet voor de algemeene onkosten. Verhooging van dezen post is minder urgent dan die van het onderhoud. Zoolang de onderhoudsnorm niet verhoogd is, doen we verstandiger de kwestie van de algemeene onkosten te laten rusten.

De vergadering gaat ermee accoord, dat de ingediende voorstellen in handen van het bestuur worden gesteld, dat zal handelen, gelijk door den voorzitter is aangegeven.

De Algemeene Coöperatieve Woningvereeniging te ’s Gravenhage stelt voor:

a. „De mogelijkheid te openen om de bestaande plaatselijke federaties van woningbouwvereenigingen als plaatselijke afdeelingen van den Nationalen Woningraad op te nemen: b. wanneer die mogelijkheid geopend is, de plaatselijke federaties uit te noodigen als zoodanig toe te treden.”

De ALGEMEENE COÖPERATIEVE WONINGVEREENIGING te ’S GRAVENHAGE wijst erop, dat behoefte is gebleken aan bepaalde organen, welke de gemeenschappelijke plaatselijke belangen van de bouwvereenigingen behartigen. De practijk heeft ertoe geleid, dat dit zelfstandige organen zijn geworden, welke buiten het verband van de landelijke organisatie staan. Dit lijkt de vereeniging onjuist. Beter zou het zijn de plaatselijke organen in het groote geheel onder te brengen. Dit te bewerkstelligen, is de bedoeling van het voorstel.

De ARB.BOUWVEREENIGING „UTRECHT” te UTRECHT maakt van deze gelegenheid gebruik om te wijzen op de wenschelijkheid, dat er een plaatselijke instantie komt, welke eventueele geschillen tusschen de woningbouwvereenigingen en haar ledenhuurders beslecht. In ons maandblad is melding gemaakt van een vonnis van een Amsterdamsch kantonrechter, waarbij het vereenigingsbestuur tegenover een lid-huurder in het ongelijk werd gesteld. Deze aangelegenheden hooren evenwel niet bij den kantonrechter thuis, maar kunnen beter door een door ons zelf gesticht deskundig orgaan worden beslecht.

De STICHTING „CENTRAAL WONINGBEHEER” te ZAANDAM somt enkele moeilijkheden op, die wel onder oogen moeten worden gezien, voordat men besluit tot vorming van plaatselijke afdeelingen. Niet alle leden der bestaande plaatselijke federaties zijn lid van den Woningraad. Het zou niet juist zijn vereenigingen, die tegen het lidmaatschap van den Woningraad bepaalde bezwaren hebben, te noodzaken lid te worden of uit de plaatselijke organisatie te gaan. Het lidmaatschap én van de plaatselijke èn van de landelijke organisatie kan ook financieele bezwaren meebrengen. Dit moet men wel overwegen.

De COÖP. WONINGVEREENIGING V. GEMEENTEPERSONEEL te HAARLEM meent, dat er geen reden is de thans bestaande plaatselijke federaties te vervangen door afdeelingen van den Woningraad. In Haarlem doet de federatie uitstekend werk. Zij heeft haar eigen rechtskundigen adviseur, die den leden bijstand en voorlichting verschaft. De vereeniging ziet niet in dat hierin verandering moet worden gebracht.

De COÖP. BOUWVEREENIGING „ROCHDALE” te AMSTERDAM heeft haar standpunt t.o.v. het voorstel nog niet bepaald en zal gaarne het bestuursoordeel erover vernemen. Erkend moet worden, dat samenwerking tusschen landelijke organisatie en plaatselijke federaties zeer gewenscht is en dat plaatselijke problemen in landelijk verband zijn te bezien. Andererzijds echter is het moeilijk in te zien hoe de plaatselijke lichamen in de organisatie van den Woningraad, zooals deze er thans uitziet, moeten worden ingepast.

De W.B.V. ~EIGEN HAARD” te HAARLEM voelt niet voor het voorstel, dat bovendien vrij vaag is. Met name zou de vereeniging er bezwaar tegen hebben, wanneer het de bedoeling is, dat alle leden van den Woningraad ook lid van de plaatselijke afdeeling worden. Hierdoor gaat het rechtstreeksche contact tusschen leden en hoofdbestuur, waaraan de vereeniging groote waarde hecht, verloren.

De VEREENIGING „DE GOEDE WONING” te APELDOORN zegt, dat, zooals mede uit het gesprokene in deze vergadering blijkt, er inderdaad behoefte bestaat aan nauwer contact tusschen leden en hoofdbestuur en leden onderling. Zij vraagt het bestuur aan deze behoefte tegemoet te komen. Den vorm te kiezen, laat zij aan het bestuur over.

Tegen de door Utrecht gemaakte aanmerking, inzake de bevoegdheid van den kantonrechter, wijst zij erop dat de vereenigingen vóór alles zélf een taak hebben tot „verbetering” van de volkshuisvesting. Vraagt men om een uitspraak dan krijgt men die immers. Voor de „vragen van den dag” moet men wel trachten een oplossing te vinden. Dat is een moeilijke taak en om die taak te behartigen, zou het goed zijn, als in ons orgaan meer voorlichting op dit punt werd verstrekt, zoowel door redactioneele artikelen als door onderlinge uitwisseling van ervaringen.

De ARB.BOUWVEREENIGING „ONS IDEAAL" te HILVERSUM ziet niet in waarom er plaatselijke afdeelingen moeten komen. In Hilversum bestaat geen plaatselijke federatie en toch werken de bouwvereenigingen er samen. Het is niet noodig, dat hiervoor een nieuwe organisatorische band wordt gelegd, die de zelfstandigheid der afzonderlijke vereenigingen nog meer beperkt. Men moet vooral niet, zooals Utrecht deed, om een plaatselijke instantie vragen, die de taak der afzonderlijke besturen overneemt. Heeft men kwesties met bewoners, dan moet men als bestuur zelf weten op te treden en zelf de verantwoordelijkheid daarvoor nemen.

De BOUWVEREENIGING „SPAARNOOG” te HAARLEM verheugt zich in de kracht van onze landelijke organisatie. Tegenover Hilversum betoogt zij, dat men niet teveel moet bogen op eigen zelfstandigheid. In de practijk heeft de vereeniging ondervonden van hoeveel waarde het is, wanneer men in organisatorisch verband elkaar wederzijds weet te steunen. Voor het werk der plaatselijke federaties heeft de vereeniging groote waardeering, maar zij zou het beter achten, indien deze federaties in, in plaats van naast den Woningraad werkzaam waren. Wij moeten allen achter het bestuur der landelijke organisatie staan, opdat het zijn werk met alle kracht kan voortzetten.

De MIJ. VOOR VOLKSHUISVESTING „VREEWIJK” te ROTTERDAM steunt het voorstel, dat een eerste stap kan zijn in de richting van een meer doeltreffende organisatie der bouwvereenigingen. Het ligt in den geest van den tijd veel regelenden arbeid volgens uniforme richtlijnen door trapsgewijze opgebouwde organisaties der betrokkenen te doen verrichten. Spreker werkt dit denkbeeld nader uit en verzoekt het bestuur deze gedachte in overweging te nemen. Bij een nieuwe organisatie, opgebouwd uit landelijke rijksbureaux, districtsbureaux en plaatselijke groepen, zal men intensiever dan tot dusver een inzicht krijgen in alles wat met de woningvoorziening verband houdt. Een dergelijke nieuwe organisatie thans voor te bereiden, behoort tot de voorbereidende taak, waarover in het laatste nummer van het orgaan geschreven werd.

De SECRETARIS deelt mede, dat een zestal Haagsche vereenigingen adhaesie heeft betuigd aan het ingediende voorstel. De in het voorstel vervatte gedachte heeft de sympathie van het bestuur. In de vorming van plaatselijke afdeelingen, waar noodig, zien wij de mogelijkheid van een intensiever contact met de leden en van een versteviging van onze organisatie. Wij hopen, dat hierdoor ook vereenigingen, tot dusverre niet bij ons aangesloten, zich als lid zullen laten aanschrijven. Daarbij willen wij niemand dwingen. Als het tot een reorganisatie komt, moet dit berusten op vrijwillige samenwerking. Financieele bezwaren kunnen aan het voorstel niet