is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 2, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groep: Montpazier is daarvan het meest sprekende voorbeeld. Ook Aigues Mortes, een stichting van Lodewijk IX, behoort daartoe.

In ons land heeft stedestichting in de middeleeuwen niet op groote schaal plaats gehad. Voorbeelden zijn ’s-Hertogenbosch (dat evenwel in zijn eersten opzet niet meer was dan een ombouwd driehoekig plein) en Elburg (afb. 17 en 18), dat in het jaar 1233 werd gesticht. Dit stadje, waarvan de oorspronkelijke plattegrond vrij zuiver is bewaard gebleven, vertoont een volkomen regelmatigen aanleg binnen een rechthoekige ommuring.

Er bestaat oogenschijnlijk een niet te overbruggen tegenstelling tusschen de gegroeide middeleeuwsche stad, die een onregelmatigen plattegrond vertoonde en waarvan de opbouw in hooge mate schilderachtig was eenerzijds en de strenge regelmatigheid van vele ~bastides” en ~Kolonialstadte” anderzijds.

Hoe is het mogelijk, dat in denzelfden tijd, dat de talrijke romantische stadjes in Nederland, Frankrijk, Duitschland en Italië ontstonden, steden werden gesticht als die, waarvan wij hierboven enkele voorbeelden hebben vermeld?

En'dit leidt vanzelf tot de tweede vraag: was de onregelmatigheid, de schilderachtigheid van de groote meerderheid van de middeleeuwsche steden toeval of opzet? Waren de gekromde straten en de elleboog-stegen, de rooilijnverspringingen en de overbouwingen, de stoepen en de pothuizen, de straatafsluitingen, de onregelmatige pleinen enz. te danken aan den bewusten wil van de bouwmeesters dier dagen om pittoreske stadsbeelden te scheppen, of hebben zij eenvoudig van toevallig aanwezige onregelmatigheden op zóó bekwame wijze gebruik gemaakt, dat wij de ongeschonden stadjes en stadsfragmenten na eeuwen nog beschouwen als preciosa op stedebouwkundig gebied?

Vooral die tweede vraag heeft reeds heel wat pennen in beweging gebracht; het oordeel der schrijvers over het stadsplan en het stadsbeeld is allerminst eenstemmig. Enkele moge ik hier de revue laten passeeren.

Eberstadt zegt zoo positief mogelijk i): ~Die künstlerischen Wirkungen des Stadtebaues waren dem Mittelalter genau bekannt. Die eindrucksvolle Gestaltung des Stadtbildes war ein bestimmender Gesichtspunkt bei der Anlegung der Stadt und ihrer Strassen”.

Afb. 17. Elburg. Naar den plattegrond van Jacob van Deventer. Gestichte Nederlandsche stad uit de middeleeuwen met regelmatigen plattegrond

En hij beroept zich daarbij op den bekenden Italiaanschen architect-beeldhouwer-musicus-schrijver Leon Battista Alberti (1404—1472), die in zijn in 1485 gepubliceerde verhandeling over de architectuur zich ongeveer aldus uitlaat over het beloop der straten: De hoofdstraat, de heerweg, moet binnen de stad niet rechtlijnig worden aangelegd, maar zacht gebogen, zooals een rivierbedding, nu naar deze, dan naar die zijde afbuigend. Zulk een gebogen straat zal den omvang der stad grooter doen schijnen. Verder is het van groote beteekenis, als zich voor den reiziger bij elke schrede een nieuw stadsbeeld opdoet. Eerst langzamerhand en stuksgewijze komen de gebouwen voor hem te voorschijn; de straat is daartoe plaatselijk te verbreeden. Daarentegen moet een straat, die naar een monumentaal gebouw leidt, recht zijn. En een groote straatbreedte

Neue Studiën über Stadtebau und Wohnungswesen I, p. 55.

anders niet mooi en ongezond heeft het voordeel een gebouw goed tot zijn recht te doen komen.

Heel sterk schijnt dit beroep op Alberti niet. Immers deze auteur een der eersten, die tot het renaissancetijdperk kunnen worden gerekend stond op de grens tusschen twee werelden en hij kan zeker niet geacht worden nog een typische vertegenwoordiger van de middeleeuwsche opvattingen te zijn.

Prof. O. Kloeppel zegt in zijn boven geciteerde voordracht over de stedestichtingen in het Duitsche Oosten, dat hij tot de vaste overtuiging is gekomen ~dasz eihe klare Raumvorstellung bei der Anlage der Stadte in der zweiten Halfte des Mittelalters schon eine grosze Rolle gespielt hat.” Als voorbeeld haalt hij o.m. aan het stadje Neidenburg in de onmiddellijke nabijheid van de gelijknamige burcht (beide stichtingen van de Duitsche Ridderorde). Het is niet mogelijk, zegt hij, bij dezen aanleg, waarbij een sterk verband bestaat tusschen stad en burcht, aan een bloot toeval te denken. Er heeft daarbij blijkbaar dezelfde wil tot vormgeving voorgezeten als bij de latere barok-scheppingen, waar het slot steeds