is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 3, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Stelselmatige woningvoorziening

door Dr. Ir. H. G. van Beusekom

Het is thans bij uitstek de tijd om zich te beraden over de wijze, waarop in de periode na den oorlog in de behoefte aan woningen zal moeten worden voorzien. Bouwen kunnen wij thans practisch niet. Buiten den wederopbouw kunnen slechts weinig bouwwerken worden aangevat, omdat de bouw door de schaarschte aan materialen en de transportmoeilijkheden in ernstige mate wordt belemmerd.

Dit is te meer bedenkelijk, omdat de vrij redelijke woningreserve, die in 1939 nog in vele gemeenten aanwezig was, thans tot het verleden behoort. Behalve met de woningen, die tijdens de oorlogsdagen zijn verloren gegaan, moet worden gerekend met den achterstand in den aanbouw, die zich van dag tot dag sterker doet gevoelen. Naarmate de oorlogstoestand langer zal duren, zal deze achterstand een grooter woningtekort doen ontstaan, waarvan ernstige schade voor ons volksleven moet worden gevreesd.

Reeds nu zijn leegstaande woningen in de meeste gemeenten practisch niet meer aanwezig: reeds nu wachten vele gezinnen op het vrijkomen van een woning. Dit woningtekort kan tijdens den oorlog niet worden ingehaald. Hiermede zal moeten worden gewacht, tot het internationale verkeer weer is hersteld en de materialen en transportmiddelen weer ter beschikking van het bouwbedrijf staan.

In die periode zal echter meer moeten gebeuren. In de eerste plaats zal gebouwd moeten worden voor de normale uitbreiding der bevolking, de toeneming van het aantal gezinnen. Deze laatste is voor een tienjarige periode na den oorlog, aan de hand van de thans beschikbare gegevens, te stellen op 31.000 a 32.000 per jaar, een aantal dat tamelijk wel met de praktijk van vroegere perioden overeenkomt. Ondanks de te verwachten afneming van den bevolkingsgroei vertoont de toeneming van het aantal gezinnen een zekere stabiliteit, die een gevolg is van de gezinsverdunning, die zich ook in de toekomst, waarschijnlijk echter in verminderde mate, zal voortzetten. Mocht deze stabiliteit zich ook nog over volgende perioden uitstrekken, hetgeen zeggen wil, dat gedurende een vrij langdurig tijdvak een constante behoefte aan nieuwe woningen bestaat, dan beteekent dit, dat voor het bouwbedrijf in de naaste toekomst op een tamelijk constante hoeveelheid werk kan worden gerekend. Dit is een omstandigheid, die niet zonder beteekenis is.

Het aantal te bouwen woningen is intusschen aanmerkelijk grooter dan het genoemde aantal, omdat regelmatig herbouw van woningen plaats vindt en verder moet worden voorzien in de vervanging van woningen, die ten behoeve van openbare werken, van de uitbreiding van inrichtingen van handel en bedrijf en door cityvorming komen te vervallen. Het is moeilijk hiervan een schatting te maken, aangezien dit aantal in nauw verband staat met de conjunctuur. Bovendien is thans het onttrekken van woningen aan hun bestemming zonder toestemming van het gemeentebestuur verboden, zoodat ook op dit gebied een achterstand ontstaat.

Gedurende een reeks van jaren in het verleden was het

aantal op deze wijze vervallen woningen gemiddeld ongeveer 5000 per jaar. Zou men om de gedachten te bepalen, dit aantal ook voor de toekomstige periode aanhouden, dan is men zeker niet te hoog.

Ten slotte moet rekening worden gehouden met de krotopruiming. De laatste jaren is het aantal krotten, dat tengevolge van overheidsmaatregelen is vervallen, tamelijk klein geweest. De geldende regelingen voor krotopruiming zijn regelmatig toegepast, doch tot opruiming op beduidende schaal is het niet gekomen. De bizondere regeling voor versnelde krotopruiming is door den oorlogstoestand practisch niet tot uitvoering gekomen. Het staat dan ook reeds geruimen tijd vast, dat in de toekomst de krotopruiming op grooter schaal moet worden ter hand genomen. Omtrent het aantal jaarlijks te vervangen krotten kunnen verschillende schattingen worden gemaakt. Om de gedachten te bepalen zou het voor een tienjarige periode gesteld kunnen worden op 3 % "van den woningvoorraad of ongeveer 6500 woningen per jaar. Het juiste aantal kan echter eerst worden bepaald na een onderzoek in alle gemeenten, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld, hoeveel onbewoonbaar verklaarde woningen moeten worden ontruimd en hoeveel woningen in een periode van 10 jaar zullen moeten worden onbewoonbaar verklaard en aan de bewoning onttrokken. Het laatste cijfer wordt bepaald door het tempo, waarin men meent, dat de aanwezige krotten zullen kunnen worden opgeruimd.

Ook hierin zal men nuchter moeten blijven en zich vooral niet moeten voorstellen, dat het mogelijk zal zijn onmiddellijk na het beëindigen van den oorlog met de uitvoering van een 10-jarig bouwprogram te beginnen, waarin van den aanvang af begrepen is de opruiming van de krotten, die in den loop van de eerstvolgende 10 jaren behooren te verdwijnen.

Wanneer de omstandigheden zich zoodanig zullen hebben gewijzigd, dat weer volop kan worden gebouwd en het zal wel één of twee jaar na het einde van den oorlog worden, voordat de materialen en de transportmiddelen en vermoedelijk ook de arbeidsmarkt weer een omvangrijken aanbouw zullen gedoogen kan men niet onmiddellijk beginnen met het opruimen van krotten. Men zal gelukkig zijn, wanneer het eerste bouwjaar voorzien kan worden in de stijgende behoefte aan woningen en daarnaast een stukje van het tekort kan worden ingehaald. Eerst in den loop der jaren zal kunnen worden gedacht aan het opruimen van krotten. De achterstand op dit terrein is echter zoo groot, dat in een 10-jarig bouwprogram zeker ook aan dit deel van de volkshuisvesting moet worden gedacht. Het opnemen in het 10-jarig bouwprogram van 6500 woningen per jaar voor krotopruiming heeft dan ook slechts de beteekenis van een gemiddelde. De eerste jaren zullen vermoedelijk aanmerkelijk minder, de latere jaren, naarmate het woningtekort zal zijn ingehaald, zullen meer krotten door goede woningen moeten worden vervangen.

Telt men de bovenvermelde cijfers samen 31.000 a 32.000 woningen te bouwen in verband met de toeneming der behoefte, 5000 voor herbouw en cityvorming en 6500 voor krotopruiming, dan komt men op een program van 43.000 woningen per jaar, waarbij nog geen rekening is gehouden met het inhalen van den achterstand, die tijdens den oorlog is ontstaan.