is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 6, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De brand van Rome en moderne herbouwpolitiek

door Mr. L. J. A. van der Harst

De brand van Rome in het jaar 64 n. Chr. onder de regeering van Keizer Nero, waarvoor de Christenen (ten onrechte) aansprakelijk werden gesteld, is overbekend, niet het minst uit de schilderachtige beschrijving van Tacitus in het 15e boek van diens Annalen, hoofdstuk 38 vgl., en voorts door min of meer geslaagde beschrijvingen in historische romans als b.v. het nu weinig meer gelezen (doch des te meer uit de film bekende) werk van den Pool Sienkiewicz.

Intusschen verdient alle aandacht de minutieuze uiteenzetting bij Tacitus (in het 43e hoofdstuk van diens reeds geciteerde boek der Annalen) van de oplossing der bouwproblemen, waarvoor de regeering na deze calamiteit zich zag geplaatst, ten einde eensdeels een herhaling daarvan zoo mogelijk te voorkomen, anderdeels maatregelen te treffen, om, nu zich daartoe een welkome gelegenheid aanbood, meer orde in den nieuwen aanleg der verwoeste wijken te scheppen.

Plattegrond van een Romeinsch woonhuis (ontleend aan Bemis en Burchard, The Evolving Home, I, Cambridge, 1933)

We zien dan in kiem voor ons, wat we thans zouden betitelen als ~rooilijnen”, ~uitbreidingsplannen”, ~bouwpremies”, en dergelijke, Woningwet-technische begrippen, uiteraard vreemd aan een tijd, die bijkans 19 eeuwen achter ons ligt, maar waarvan de toepassing blijkbaar toen reeds als noodzaak werd aangevoeld.

Daarnaast vermeldt Tacitus dan nog politioneele voorschriften ter bestrijding van brandgevaar, die misschien minder origineel zijn, maar toch zeker eveneens aandacht verdienen, ofschoon de vraag, in hoever deze voorschriften in acht zijn genomen, dan wel spoedig in het vergeetboek zullen zijn geraakt, onbesproken blijft.

Curiositeitshalve moge hieronder volgen een ter wille der duidelijkheid eenigszins vrije vertaling van het bedoelde hoofdstuk.

~Doch dat deel der stad Rome, hetwelk behalve het paleis van keizer Nero nog over was gebleven, werd niet (zooals na de branden als gevolg van vroegere invallen der Galliërs) zoo maar raakweg en zonder op de plaatsing te letten opnieuw opgebouwd, maar de wijken kregen bepaalde afmetingen en er werd een breede ruimte gelaten voor de straten, terwijl al te hooge huizen werden verboden en in die huizen binnenplaatsen werden opengelaten, om voldoende licht en lucht te laten toetreden; aan de huurkazernes toegevoegde zuilengangen zorgden voor bescherming van het front daarvan. Nero beloofde deze zuilengangen op zijn eigen kosten te laten aanleggen en na de binnenplaatsen van het puin te hebben laten bevrijden, deze aan de eigenaren terug te geven. De keizer voegde daaraan nog toe premies naar gelang van ieders stand en vermogen en bepaalde een termijn, binnen welken de paleizen of huurkazernes moesten zijn voltooid, om daarvan den eigendom te kunnen verkrijgen. Voorts bepaalde hij, dat de gebouwen zelf tot op een zekere hoogte zouden zijn ontbloot van houten balken, doch verstevigd door tufsteen uit de Gabinische of Albaansche bergen, daar deze steen niet door het vuur wordt aangetast. En ten slotte schreef hij voor, dat de waterleidingen, thans onderschept als gevolg van de misbruiken der particulieren, zouden worden bewaakt, opdat de toevloeiing van het water in ruimer en veelvul-

diger mate aan het algemeen ten goede zou komen en voorts, dat iedereen brandbluschmiddelen in de vestibule van zijn woning aanwezig zou hebben. Ook mochten de huizen niet in het bezit zijn van gemeene muren, doch ieder huis moest zijn eigen brandmuren hebben. Dit alles vond uit een oogpunt van algemeen nut ingang en maakte de nieuwe stad ook sierlijker. Het ontbrak evenwel niet aan lieden, die van oordeel waren, dat uit een oogpunt van volksgezondheid de oude vorm meer voorkeur verdiende, aangezien nauwe straten en hooge huizen niet in die mate van den zonnegloed te lijden hadden, terwijl men nu door den breeden aanleg der straten, zonder eenige beschutting van schaduw, des te meer aan de schadelijke hitte was blootgesteld.”

Het bovenstaande, dat cultuurhistorisch van groote beteekenis is, doch waaraan ook uit een oogpunt van moderne herbouwpolitiek actualiteit niet ontbreekt, behoeft waarlijk geen nader commentaar.

Middelburg, April 1942

De netto-vermeerdering van het aantal gezinnen en de methode van Halle

door Dr, }. B. D. Derksen

In de Maart-aflevering van dit Tijdschrift heeft de Heer A. J. A. Rikkert enkele opmerkingen gemaakt pver een artikel, dat in het Maandschrift van het Centraal Bureau voor de Statistiek, afl. Aug./Sept. 1941, is verschenen onder den titel ~Berekeningen over het aantal gezinnen en de gemiddelde gezinsgrootte in Nederland, 1930—1939". De critiek van den schrijver is voornamelijk gericht tegen de laatste alinea van dit artikel, waar over de methode van Halle enkele opmerkingen worden gemaakt. Voorts stelt de Heer R. enkele vragen van statistischen aard, die uiteraard niet onbeantwoord kunnen blijven.

Het bedoelde Maandschrift-artikel had, zooals in den titel voldoende tot uitdrukking komt, in de eerste plaats ten doel enkele belangrijke demografische gegevens bijeen te brengen, waaraan in verband met het uitstel van de Volkstelling in bizondere mate behoefte bestaat. De laatste alinea van het artikel was dan ook geenszins essentieel voor het betoog, doch had slechts ten doel de berekende cijfers te illustreeren aan een toepassing op het terrein van de berekening van de veranderingen in de woningbehoefte, waarbij een vergelijking werd gemaakt met de berekening volgens de methode van Halle. Het zou evenzeer mogelijk geweest zijn een voorbeeld te kiezen uit een ander gebied van de statistiek (inkomensstatistiek, budgetstatistiek, enz.). De methode van Halle werd gekozen, omdat nog betrekkelijk weinig cijfers voorhanden zijn, die in staat stellen de onderstellingen, waarop die methode berust, aan