is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 11, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke doet zien het verband en de wisselwerking, de onderlinge gebondenheid en verbondenheid van bodem en landschep, beide zoowel beschouwd als natuurlijke en als door den mensch beïnvloede zaken, maar uit den gezichtshoek van het wezen van bodem en landschep als levensbron en woonplaats van het menschdom.

Thans zijn in alle deelen der aarde bodemkaarten opgenomen of in wording. Zoo is een groot deel van de Vereenigde Staten van N. Amerika op deze wijze in kaart gebracht. Het is de groote verdienste van Prof. Dr. H. Stremme uit Dantzig, dat hij de Russische bodemkunde voor het Westen toegankelijk heeft gemaakt. Met zijn leerlingen heeft hij voor allerlei doeleinden, ook voor streekplannen, bodemkaarten opgenomen.

Onder zijn leiding werd een bodemkaart van Duitschland en een bodemkaart van Europa samengesteld. Zooals vanzelf spreekt zijn deze kaarten behept met vele onjuistheden, tengevolge van onvolledige en onvoldoende gegevens, en gebrekkige kennis van verschillende medewerkers. De bedoeling dezer kaarten was echter niet, reeds een juist beeld te geven van de bodemkundige situatie, maar een beeld van het toenmalig bodemkundig weten, een voorstudie voor verder werk. Als zoodanig zijn deze kaarten dan ook van belang.

Waar men ook begon met het propageeren der bodemkarteering, overal stuitte men op tegenwerking, of ongewenschte medewerking. Eenerzijds zijn het de chemici, welke zich tegen de vernieuwing der bodemkunde verzetten. of wel hun overheerschende positie in de bodemkunde willen behouden door de bodemkarteering onder hun leiding te wenschen, anderzijds zijn het de geologen, welke eveneens meenen de aangewezen instantie te zijn voor het tot stand brengen eener bodemkarteering. De moderne biologisch-genetische bodemopvatting sluit echter zoowel chemicus als geoloog uit. De chemie en de geologie zijn voor de bodemkunde slechts hulpwetenschappen, en niet meer dan dat. De bodemkundige is in de eerste plaats bodemkundige. Bodemkunde is tot een vak geworden, met een enorme literatuur. Zoo telt het Handbuch der Bodenlehre tien deelen, en ongeveer 4800 blz., in eerste uitgave.

De bodemkundige behoort tevens landbouwkundige te zijn. Nu ligt practisch de tijd achter ons, waarin iedere apotheker of chemicus, die zich met landbouwproblemen bezig hield, zichzelf den titel van landbouwkundige aan kon meten. Nog is de tijd van grooten invloed van chemici en apothekers in de landbouwwereld niet achter den rug. Maar in alle beschaafde landen is er een academische opleiding in de landbouwkunde.

Zooals de arts-specialist in de eerste plaats arts wordt en zich pas dan en daarna vormt tot chirurg, oogarts of eenige andere specialiteit, zoo moet de bodemkundige eerst de landbouwkundige scholing doorloopen hebben, tot de bodemkundige vorming te kunnen geraken! De eischen, welke aan een bodemkundige gesteld worderu niet gering. Hij moet grondig bekend zijn met de bodemcultuur en alles wat daar mede samenhangt. De belangrijke hulpwetenschappen van den landbouw, zooals biologie, microbiologie, economie, chemie, geologie enz. moet hij met veel vrucht bestudeerd hebben alvorens tot de eigenlijke studie der bodemkunde te kunnen komen. Hij moet een goed inzicht hebben in de kartografieën in staat zijn een goede, tevens aan de eischen aesthetica beantwoordende kaart samen te stellen. Hij moet van nature begaafd zijn met een uitmuntend waarnemingsvermogen, moet menschenkennis bezitten en met de bodemgebruikers, menschen van allerlei slag, om kunnen gaan. Zijn geheugen moet hem iii staat stellen de waargenomen beelden en verschijnselen grondig te memoreeren, en hij moet in staat zijn in zijn gedachten de waarnemingen logisch te groepeeren. Uit zijn werkzaamheden moet niet alleen het kaartbeeld volgen maar

ook advies voor zeer verschillende doeleinden. Hij werkt steeds in de praktijk, die een scherp ontwikkeld critisch vermogen heeft, alleen gebaat is bij het gebruik van een praktisch juisten grondslag en bij voor de praktijk bruikbare adviezen.

Zoo is het verklaarbaar, dat in een groot land als Duitschland zoo weinig bodemkundigen beschikbaar zijn. In Nederland is er nog een tweede oorzaak voor het ontbreken van geschoolde bodemkundigen, n.l. het ontbreken van emplooi. In Nederlandsch-Indië is men in 1927 begonnen met de bodemkarteering, aanvankelijk onder het Departement van Mijnbouw, later, toen de onhoudbaarheid van dezen onjuisten toestand te veel naar voren kwam, onder Landbouw. Sindsdien heeft de bodemkarteering aldaar een groote vlucht genomen, en zijn alle in Nederland aan de Landbouwhoogeschool gevormde bodemkundigen naar Indië vertrokken, met uitzondering van den schrijver, op wien feitelijk de taak rustte, deze ambtenaren zoo goed en zoo kwaad mogelijk voor hun taak in de tropen te bekwamen.

In Nederland kon de moderne veldbodemkunde, door gebrek aan medewerking, niet tot ontwikkeling komen. De schrijver van dit artikel heeft sinds 1929 in een reeks bijdragen en voordrachten belangstelling gevraagd voor de moderne bodemkunde en voor de totstandkoming van een bodemkarteering van Nederland, zonder succes.

In zijn dissertatie (Wageningen 1936) heeft hij op de veelzijdige beteekenis van bodemkunde en bodemkaarten gewezen en vooral het belangrijke verband tusschen mensch en bodem naar voren gebracht. In deze tijden blijkt telkens weer het gemis aan goede kaarten, welke bij de vernieuwing en de in groot verband getroffen en te treffen maatregelen van enorme beteekenis zouden zijn.

Typisch wordt dit b.v. geillustreerd doorbet feit, dat de schrijver jaren voor den oorlog (Landbouwkundig Tijdschrift 49, 1937, No. 602/3), aandrong op het vervaardigen van kaarten, welke in deze tijden nuttig en eigenlijk ook broodnoodig zouden zijn. Had men b.v. beschikt over de door hem voorgestelde kaart, waarop aangegeven zoude zijn, welke graslanden geschikt waren voor scheuren en welke beter niet gescheurd konden worden, dan ware men nu niet weer verzeild geraakt in den stelstelloozen chaos van door allerlei factoren, maar niet door de doelmatigheid en het landsbelang gekozen scheurlanden.

De onkosten van het vervaardigen van de kaart waren te verwaarloozen geweest bij de bedragen, welke aan scheurpremies uitgekeerd worden, maar ook bij de schade, die door onjuist scheuren veroorzaakt wordt.

In het algemeen geeft de bodemkaart weer de horizontale verbreiding van de variaties in den bodem, voorzoover deze optreden in de bovenste laag, welke voor den plantengroei van belang is, waarmede meestal de bovenste twee meters bedoeld zijn. Dit is een zeer groot verschil met onze geologische kaart, welke deze laag opzettelijk buiten beschouwing laat. Van deze bovenste laag worden de karakteristieke eigenschappen genoteerd en in kaart gebracht. Hierbij spelen grondsoort en bodemtype als onderscheidingskenmerken een groote, hoewel niet de eenige rol.

Met grondsoort wordt bedoeld de materie, waaruit de grond is opgebouwd, met bodemtype het biogenetische aspect.

Grondsoorten zijn b.v. zand, klei, veen, humuszand, zavel, löss, kleefaarde, dalgrond. De indeeling in grondsoorten is natuurlijk veel uitgebreider dan deze reeks van voorbeelden. Bij de bepaling van het bodemtype beschouwt men het bodemprofiel, dat is het samenstel üer verticaal opeenvolgende verschillende horizonten. In de bodemkunde spreekt men van lagen, indien de onderscheiding berust op geologische verschillen of ver-