is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 12, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de critiek zich in het bizonder had gericht. De toelichting bevat de mogelijkheid van afwijkende bepalingen, van het stellen van nadere eischen en het verkenen van vrijstellingen, waardoor veel meer rekening kan worden gehouden met plaatselijke omstandigheden en geldende plaatselijke bepalingen. De toelichting is onverbrekelijk met de voorschriften zelf verbonden. De pleno-commissie heeft zich in een op 2 October 1942 gehouden vergadering met de voorstellen van de subcommissie vereenigd, behoudens enkele geringe veranderingen. Na goedkeuring door den Technischen Raad zullen zij definitief zijn. De berichtgever voegt hieraan toe dat hij meent te mogen aannemen dat na de definitieve vaststelling deze bepalingen zeer waarschijnlijk door den Algemeen Gemachtigde voor den Wederopbouw aan den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken zullen worden voorgedragen ter verbindendverklaring voor de gemeentelijke bouwverordeningen, zulks met inachtneming van de toelichting.

Tot zoover de mededeeling. Hoewel over den gewijzigden inhoud van de normaalbladen nog niet kan worden geoordeeld, geeft het bovenstaande toch den indruk dat aan de geopperde bedenkingen in ruime mate is tegemoetgekomen. Alleen blijft onaangetast de bedenking dat het onderwerp in beginsel niet vatbaar is voor de gevolgde procedure. Bepalingen in bouwverordeningen zijn maatregelen van de overheid en behooren dan ook onttrokken te blijven aan de bemoeiing van de Hoofdcommissie voor de Normalisatie. Haar procedures zijn berekend op technische onderwerpen, maar niet op aangelegenheden van overheidsbeleid. Het blijft te betreuren dat de Hoofdcommissie door het aanvaarden van haar voorstellen door de overheid zou worden gestijfd in de dwaling dat zij met haar apparaat ook niet-technische onderwerpen met goed gevolg kan bewerken.

H. V. d. W.

Woningtelling Beverwijk

Wij ontvingen het verslag van een in de maand Juni in de gemeente Beverwijk gehouden woning- en gezinstelling. Deze telling is ingericht overeenkomstig het schema voor een Rijkswoningtelling van een commissie uit het Instituut.

Splitsing gemeentelijke technische dienst Rotterdam

Onze lezers herinneren zich de instelling in Rotterdam in 1936 van een gemeentelijken technischen dienst, waarin de vroegere diensten van Gemeentewerken, Stadsontwikkeling, en Volkshuisvesting en Bouwpolitie werden vereenigd. Overwegingen van bezuinigingen en van doelmatige organisatie hebben tot dit besluit bijgedragen. Thans is de burgemeester op deze concentratie teruggekomen, hoewel zij aldus de toelichting bij de thans genomen besluiten . in de jaren voor den oorlog aan de verwachtingen heeft beantwoord. De gewijzigde situatie na Mei 1940 heeft hierin echter wijziging gebracht, doordat de wederopbouw en andere stedebouwkundige problemen alsook de uitbreiding van het grondgebied der gemeente de taak van den dienst aanzienlijk verzwaarden of nog zullen verzwaren. Onder deze veranderde omstandigheden wordt de bereikte concentratie niet meer als een voordeel gevoeld. Het vasthouden aan een eenhoofdige leiding wordt dan ook al te bezwaarlijk geacht. Op grond hiervan heeft de burgemeester besloten over te gaan tot een splitsing in vier nieuwe diensten, namelijk Stadsontwikkeling, Gemeentewerken, Volkshuisvesting en Bouwpolitie.

Over de taakverdeeling kan nog het volgende worden medegedeeld. Stadsontwikkeling zal alle stedebouwkundige plannen en werken voorbereiden en de gegevens verzamelen, die noodig zijn om de behoefte te bepalen aan maatregelen tot ontwikkeling van de gemeente; ook ressorteert onder dezen dienst de aankoop en uitgifte van gronden. De verdeeling van het werk tusschen de nieuwe diensten van Volkshuisvesting en Bouwpolitie is aldus, dat de eerste algemeene richtlijnen voor de volkshuisvesting opstelt; de woningtoestanden onderzoekt, de sociale, economische en technische maatregelen en werken in het belang der volkshuisvesting voorbereidt, mede belast is met de zorg voor de naleving van de Woningwet en hetgeen daaruit voortvloeit en van de Logementenverordening en ten slotte den overheidssteun bij den Woningbouw voorbereidt en uitvoert, met inbegrip van het beheer van de gemeente-woningen; terwijl de Bouwpolitie de zuiver-politioneele taak verricht van de zorg voor de naleving van de Woningwet en de daaruit voortvloeiende maatregelen, van de Hinderwet en de verordeningen, steunend op die wet en de voorbereiding van bedoelde maatregelen, verder belast is met de toepassing van de verordening ter voorkoming van gevaar van of bij brand, de huisnummering en de opneming van de inrichting der localiteiten vallende onder de Drankwet.

Bescherming van molens

Een besluit van de Secretarissen-Generaal van Opvoeding, Wetenschap en Kultuurbescherming, van Handel, Nijverheid en Scheepvaart en van Landbouw en Visscherij van 15 September 1.1. heeft betrekking op de bescherming van molens. Het besluit houdt een verbod in om wind- of watermolens welke niet geheel of grootendeels van metaal vervaardigd zijn, te sloopen, voor het gebruik ongeschikt te maken of in te richten voor andere doeleinden, zonder een schriftelijke vergunning van den eerstgenoemden Secretaris-Generaal. Deze vergunning wordt niet verleend dan in overeenstemming met de beide andere departementen. Aan dit verbod wordt kracht bijgezet door een strafbepaling en doordat de Secre-

taris-Generaal van het eerstgenoemde departement bevoegd is te doen wegnemen, beletten, herstellen of verrichten hetgeen in strijd met het verbod of met een aan de vergunning verbonden voorwaarde wordt ondernomen of nagelaten.

De Redactie van Heemschut teekent in haar November-nummer bij dit besluit aan dat haar van bevoegde zijde is medegedeeld dat in het algemeen alleen de slooping zal worden belet van molens, waarvan een loonende exploitatie als zoodanig nog mogelijk is. Slechts wanneer het molens betreft, welke in een dorps- of stadsbeeld of in een landschap een element van zeer bizondere beteekenis vormen, zal van deze richtlijn worden afgeweken. Intusschen zal aan een vergunning tot slooping in het algemeen wel de vcorwaarde verbonden worden, dat het door slooping verkregen materiaal ter beschikking blijft voor de herstelling van molens, die wel voor behoud in aanmerking komen.

Het is duidelijk dat het in het boven kort weergegeven besluit aan de pogingen, die tot dusver met name door de Vereeniging „De Hollandsche Molen” en door het Rijk zelf in den vorm van geldelijken steun werden ondernomen om bedreigde molens te redden, een element van groote beteekenis wordt toegevoegd. Wat vroeger alleen door overreding en door het vergemakkelijken van herstel en moderniseering kon worden bereikt, kan nu ook door een feitelijk verbod worden verwezenlijkt. Dit zal de actie van particulieren en overheid zeer kunnen versterken. In het bizonder in den huidigen tijd, nu de hooge prijzen voor afbraak het gevaar voor de molens doen toenemen, zal aldus een ernstige verarming van ons landschap kunnen worden gekeerd.

De afgraving van duinterreinen onder Wassenaar en het uitbreidingsplan

Aan het besluit van den President van den Rijksdienst voor het Nationale Plan, houdende bezwaar tegen de afgraving van duinterrein onder Wassenaar, gingen eenige gevallen vooraf, waarin de President eveneens van zijn bevoegdheid terzake gebruik maakte om de orde in de ruimtelijke ontwikkeling, hetzij die vastgelegd is in een geldend plan, hetzij alleen nog maar ontworpen, in bescherming te nemen.

Het eerste van deze gevallen kan misschien eenige beweging veroorzaakt hebben, omdat nu pas vaststond dat de President artikel 5, derde lid, van het besluit van 15 Mei 1941 in de praktijk zou toepassen en dat dus het perspectief, dat dit besluit had doen opengaan, zou worden verwezenlijkt. Het besluit-Wassenaar brengt ons althans in dit opzicht op het eerste gezicht geen nieuws. Toch kan dit besluit aanleiding geven tot enkele beschouwingen.

Wie bekend is in de omgeving van Wassenaar, denkt wellicht allereerst aan de belangen van „waterwinning, natuurbescherming, recreatie en boschcultuur”, waarvan de President zich de behartiging aangetrokken heeft. De verder voortgaande afgraving van de duinen in dezen omtrek zou een geduchte schending van het landschap zijn men denke aan de vernietiging van de begroeiing en het ontstaan van de bekende steile wanden en zou verder in een ruimen kring een verlaging van het waterpeil te weeg brengen, wat zijn weerslag zou hebben op het karakter van de duinterreinen rondom en op hun waarde met het oog op de evenvermelde belangen.

Dit conflict is al jaren slepende en het kan dan ook niet anders dan instemming vinden dat het nu omgezet wordt in een rechtsconflict, waarin de administratieve rechter, voorgelicht door de Afdeeling Contentieux van den Raad van State, de tegenover elkaar in de weegschaal liggende belangen zoo scherp mogelijk kan afwegen. Over de toekomst van een kwetsbare plek in den dichtbevolkten Westelijken rand van Nederland zal dus binnenkort zekerheid ontstaan.

Voor hen, die de administratieve evolutie van het uitbreidingsplan volgen, ligt het zwaartepunt van het besluit evenwel elders. De beweegreden voor het ingrijpen van den President ligt in het aangehaalde complex van belangen, de rechtsgrond ligt in strijd met het uitbreidingsplan van Wassenaar, dat het terrein van de afgraving bestemt voor recreatie- of waterwinmngsdoeleinden. Deze toetsing aan het uitbreidingsplan mag worden beschouwd als een nieuwe bevestiging van bestemmingen, die niet rechtstreeks verband houden met de volkshuisvesting en die' dus liggen buiten de nauwe omlijsting, waarin de theorie van ~Heerlen en Haarlem” het uitbreidingsplan wilde terugdringen. Deze omlijsting moge spoedig verbroken zijn, gezien de wisselvalligheid in de uitspraken gedurende de laatste jaren blijft er nog wel eenige behoefte aan een herhaalde bevestiging van het door de praktijk verlangde standpunt. Daar komt bij dat de jurisprudentie thans wel de bestemmingen voor landelijke doeleinden e.d. keer op keer in bescherming neemt, maar als het twistpunt scherp wordt gesteld, zoekt zij nog altijd haar toevlucht tot de overweging dat het uitbreidingsplan, waar het dergelijke bestemmingen behelst, ten slotte niet anders doet dan de bebouwing ter plaatse beperken tot die, welke bij deze doeleinden past, en zij kan dat dan ook alleen met vrucht doen, voorzoover de omschrijving van de bestemmingen daartoe de gelegenheid levert. Een voorbeeld van deze eenigszins teleurstellende argumentatie biedt het jongste besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken met betrekking tot het uitbreidingsplan van Markelo. Het teleurstellende van de argumentatie schuilt hierin, dat zij nog altijd in de buurt blijft van de leer van ~Heerlen en Haarlem" door het uitbreidingsp'an op te vatten als een geheel van bouwbestemmingen, terwijl de stedebouwkundigen een andere, ruimere, bedoeling hebben.

Het besluit inzake Wassenaar treedt over deze kwestie niet in eenige bespiegeling. Toch is er geen ruimte voor de gedachte dat het slechts in for-