is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 23, 1942, no 12, 1942

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

einden, behoudens de mogelijkheid voor eigenaren van bestaande gebouwen tot herbouw van deze en tot gebruik voor andere doeleinden.

De burgemeester van Smallingerland, waarnemende de taak van den raad dier gemeente, is van deze beslissing in beroep gekomen. Hij voerde o.m. aan dat een ruime opzet van het uitbreidingsplan gewenscht is, aangezien de uitbreiding van Rottevalle in normale tijden steeds voortgaat en dat het stratennet ingericht is op concentrische uitbreiding rond het kerndorp; dat geen vrees behoeft te bestaan voor opdrijving van grondprijzen, omdat er voldoende grond beschikbaar is en de wet van vraag en aanbod deze op redelijk peil zal houden; dat het in Rottevalle, met één hoofdweg, vanzelf spreekt dat de ontworpen zijstraten op dien hoofdweg uitmonden; dat er bij een eenvoudig streekdorp geen bezwaar tegen kan bestaan de geheele kom in het uitbreidingsplan op te nemen; dat aan het bezwaar tegen de strafbepaling kan worden tegemoet gekomen door alleen deze bepaling niet goed te keuren. Wat de aanhangige grenswijziging aangaat merkte de burgemeester op dat nog geenszins vaststaat dat deze in den aangegeven zin tot stand komt en dat juist tegen de grondgedachte van het voorstel bezwaren bestaan, met name dit bezwaar, dat Rottevalle ten aanzien van onderwijs, verkeer, cultuur, handel en nijverheid aangewezen is op Smallingerland en haar hoofdplaats Drachten, terwijl het grenswijzigingsplan aanneemt dat Rottevalle zich op de gemeente Achtkarspelen zou oriënteeren. Voorts voerde de burgemeester aan dat deze omstandigheden van kracht blijven, ook al komt het grenswijzigingsplan tot uitvoering en dat het in strijd is met het geldende Nederlandsche recht (détournement de pouvoir) door middel van een uitbreidingsplan te bereiken wat langs den weg der grenswijziging behoort fe worden nagestreefd.

De Secretaris-Generaal heeft het beroep ongegrond verklaard, daarbij overwegende:

„dat, daargelaten de vraag, of het onderwêrpelijke plan van uitbreiding wel zou passen bij de te zijner tijd tot stand te brengen wijziging van de grenzen der gemeente Smallingerland en naburige gemeenten, dit plan in ieder geval wegens daaraan klevende bezwaren niet voor goedkeuring in aanmerking kan komen;

~dat deze bezwaren, zooals zij in de bestreden beslissing van den Commissaris der provincie Friesland worden vermeld, door den burgemeester in zijn beroepschrift niet zijn weerlegd;

„dat deze er met name niet in geslaagd is om aan te toonen, dat dit plan voor het dorp Rottevalle, welks bevolking blijkens de stukken in 9 jaar slechts met 99 inwoners toenam, niet te groot zou zijn;

~dat ook moet worden gehandhaafd het bezwaar van den Commissaris dat het plan teveel straatoppervlak bevat, als gevolg waarvan de bouwgrond te duur zal worden;

„dat de burgemeester er weliswaar op wijst, dat er voldoende bouwterrein aanwezig is, en de wet van vraag en aanbod de prijzen daarvan wel op een redelijk peil zal houden, doch dat dit niet opgaat;

~dat immers, indien er inderdaad voldoende bouwterrein aanwezig is, er voor het ontwerpen van zooveel nieuwe straten ook geen aanleiding bestaat, terwijl, wanneer de behoefte aan bouwterrein grooter zou worden en derhalve het uitbreidingsplan zou dienen te worden verwezenlijkt, er niet aan te ontkomen zou zijn, dat de kosten voor straataanleg onevenredig hoog zullen zijn en dus den grond duur zullen maken;

~dat de burgemeester ook niet aannemelijk heeft kunnen maken, dat het in dit geval inderdaad onvermijdelijk was om de bebouwde kom in het plan op te nemen”.

Uitbreidingsplan Warffum

Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken van 18 November 1942

De Commissaris der provincie Groningen, waarnemende de taak van Gedeputeerde Staten, had bij zijn besluit van 12 Maart 1942, No. 1059/61, Ie afdeeling, goedkeuring verleend aan een door den gemeenteraad van Warffum vastgesteld uitbreidingsplan, bestaande uit een plan in hoofdzaak, en plannen in onderdeelen voor Warffum en Breede met bebouwingsvoorschriften, met uitzondering van de terreinen aan de Zuidzijde begrensd door den provincialen weg, aan de West- en Noordzijde door het verlengde van de Warffumer trekvaart en aan de Oostzijde door de in het plan ontworpen doortrekking van den weg naar den Noordpolder en voorts van de gronden bestemd voor industrie- en opslagterrein met daarlangs gelegen voetpaden.

Beschikkende op het beroep door eenige belanghebbenden hiertegen ingesteld, heeft de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken dit beroep ongegrond verklaard.

Dit besluit berust o.m. op de volgende overwegingen: ~dat artikel 37, 3de lid van de Woningwet weliswaar inhoudt, dat belanghebbenden, die zich met bezwaren tot den raad hebben gewend, bij Gedeputeerde Staten bezwaren tegen het plan kunnen indienen binnen zes weken-ina afloop van den in deze wetsbepaling genoemden termijn van 14 dagen, gedurende welken het door den raad vastgestelde plan ter gemeentesecretarie voor een ieder ter inzage heeft gelegen, terwijl de appellanten hun bezwaren daartegen bij het provinciaal bestuur hebben ingediend vóór den aanvang van den hiervoren bedoelden termijn, doch dat zulks voor den Commissaris geen aanleiding behoorde te geven de appellanten, nu zij tijdig hun bezwaren ter kennis van het provinciaal bestuur hebben gebracht, in deze bezwaren niet-ontvankelijk te achten: ~dat de Commissaris in zijn bestreden besluit aan de bezwaren van de appellanten trouwens niet is voorbijgegaan;

wijders, dat, blijkens de stukken, de door de appellanten bedoelde op het uitbreidingsplan geprojecteerde nieuwe weguitmonding, welke.

mede naar het oordeel van den Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid (Volkshuisvesting) in het belang van het verkeer onvermijdelijk is, weliswaar een strook van 75 m lengte en 15 m breedte van het terrein der appellanten afsnijdt, doch dat deze hierdoor geen schade ondervinden zoolang aan het uitbreidingsplan geen uitvoering wordt gegeven, terwijl, wanneer dit weggedeelte tot stand zal worden gebracht, de daarvoor benoodigde grond door de gemeente zal moeten worden gekocht of onteigend, waarbij alle door 3ê appellanten te lijden schade, welke mede bedrijfsschade omvat, aan hen zal worden vergoed;

~dat het hier door de appellanten geopperde bezwaar derhalve niet tot onthouding van goedkeuring behoort te leiden:

„dat in de openbare vergadering van de Afdeeling van den Raad van State, voor de Geschillen van Bestuur, waarin over deze zaak verslag is uitgehracht, door den gemachtigde der appellanten nog is betoogd, dat van verkeerstechnisch oogpunt bezien de nieuwe uitmonding zeer gevaarlijk zou zijn, daar van den geprojecteerden weg af door huizen rechts en links geen uitzicht op den provincialen weg mogelijk zou zijn, doch dat in dit bezwaar niet kan worden gedeeld, aangezien, blijkens door den Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid (Volkshuisvesting) op verzoek van de gemelde Afdeeling verstrekte nadere inlichtingen, van de door den raadsman der appellanten bedoelde huizen het rechtsche zich op 25 m en het linksche zich op 42 m afstand van de as van den geprojecteerden weg bevindt en de nieuwe bebouwing zoo is ontworpen, dat het uitzicht naar links (het noorden) zooveel mogelijk vrij blijft;

~dat, wat betreft de door de appellanten naar voren gebracht bedenking, dat de geprojecteerde weg in strijd zou zijn met de daarvoor door Gedeputeerde Staten gestelde normen, het provinciaal bestuur weliswaar in het algemeen als norm aanhoudt, dat buiten de bebouwde kommen tusschen twee uitwegen op den provincialen weg een afstand van ten minste 300 m moet bestaan, hetgeen hier niet het geval zal zijn, doch dat op grond van de ingewonnen ambtsberichten moet worden aangenomen, dat het bezwaar van twee uitwègen op minder afstand dan 300 m, minder groot is, dan het gevaar in den thans hestaanden toestand gelegen;

~dat dit bezwaar, dat trouwens geen verhand houdt met de belangen van de appellanten, bovendien zal vervallen, wanneer, zooals de bedoeling is, de thans bestaande weg eerlang voor het verkeer in de richting van den provincialen weg wordt afgesloten;

~dat mitsdien ook dit bezwaar aan de goedkeuring van het desbetreffende deel van het plan niet in den weg staat.”

Uitbreidingsplan Markelo

Besluit van den Secretaris-Generaal van het Departement van Binnenlandsche Zaken van 10 December 1942

De Commissaris der provincie Overijssel heeft bij besluit van 5 Maart 1942, No. 423/1937, 4e afdeeling, ter waarneming van de taak van Gedeputeerde Staten, gedeeltelijk goedkeuring onthouden aan het uitbreidingsplan c.a. voor de gemeente Markelo en wel voorzoover betreft het plan in hoofdzaak, de plannen in onderdeelen ~Kerspel-Goor” en ..Markelosche Broek , het plan in onderdeelen ~Dorp Markelo" voorzoover betreft perceel sectie H no, 2865,

De goedkeuring op de hehouwingsvoorschriften werd verleend voorzoover betreft de artikelen 1 tot en met 10, 12, 13 en 15. De burgemeester van Markelo heeft hiertegen beroep ingesteld. De Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken heeft hieromtrent als volgt overwogen:

„met betrekking tot de bezwaren Van den Commissaris der provincie Overijssel ten aanzien van het plan in hoofdzaak:

~dat, al moge het gemeentebestuur van Markelo op de vanwege den Commissaris der provincie Overijssel gestelde vragen en gemaakte opmerkingen niet geheel naar den wensch van den Commissaris hebben geantwoord en al hadden de gegeven antwoorden in sommige opzichten ongetwijfeld duidelijker kunnen zijn geweest, zulks, mede naar het oordeel van den terzake geraadpleegden Hoofdinspecteur van de Volksgezondheid (Volkshuisvesting), voor een behoorlijke beoordeeling van het plan nog geen beletsel had behoeven te zijn geweest;

~dat van aperte onjuistheden in het plan niet kan worden gesproken, althans niet van zoodanig en van een dermate urgent karakter, dat daarin grond zou zijn gelegen om aan het plan de goedkeuring te onthouden; „dat ook in het bezwaar van den Commissaris betreffende het bestemmen (en het gebruik) van gronden voor andere doeleinden dan voor bebouwing, niet kan worden gedeeld, aangezien de in het plan in hoofdzaak aan de daarin begrepen gronden gegeven bestemmingen met name voor landgoederen, stichtingen, landbouw, tuinbouw, veeteelt en pluimveefokkerij met daarbij behoorende bedrijfsgebouwen, waaronder woningen, de toelaatbare bebouwing, onderscheiden naar aard en ligging van wegen en terreinen, regelen met wering van andere in het landelijk gebied niet passende bebouwing;

~dat zulks in overeenstemming is met de strekking van de Woningwet, zooals deze wet in 1931 is gewijzigd;

~dat de bedoelde bestemmingen geen andere strekking hebben, dan in het bedoelde gebied een slechts agrarische bebouwing te verzekeren met de sanctie als in artikel 6, Ie lid onder a der Woningwet is aangegeven;

~dat, wat de omschrijving van de hierbedoelde bestemmingen betreft, al moge deze eenigszins ingewikkeld zijn en niet door gemakkelijke leesbaarheid uitmunten, eene differentieering in zes rubrieken naar gelang van den aard der terreinen (agrarisch en natuurgebied) en naar de verkeersbeteekenis van de wegen, mede gelet op het in de toelichtende beschrijving uiteengezette, geenszins ongewenscht is te achten, terwijl, al ware hier en