is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 24, 1943, no 1, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het bij dit artikel afgedrukte overzicht te plaatsen, dat het ,,vele bereikte” duidelijk demonstreert.

Dit overzicht werd samengesteld na de ambtshalve bestudeering en vrijwel dagelijksche hanteering van een 35-tal bouwverordeningen.

(De gemeenten Rotterdam, Amsterdam en Den Haag werden opzettelijk weggelaten, omdat aanvankelijk gemeend werd, dat deze buiten de normalisatie moesten vallen, iets, wat naderhand onnoodig bleek te zijn.)

Waar verder de schrijvers meenen, dat een normalisatie van maten alléén, eventueel mogelijk zou zijn, moge het volgende aantoonen, dat er nog wel iets meer valt te doen.

Op 42 plaatsen wordt het voorbehoud gemaakt, dat nadere eischen kunnen worden gesteld en op 85 plaatsen worden vrijstellingen in uitzicht gesteld; hoe moet men in Den Haag nu bouwen?

~Ik weet het niet”, aldus een bekend Haagsch architect over de Haagsche verordening.

Uit een verordening van een provincie-hoofdstad licht ik het volgende gedeelte van het artikel over muurzwaarten: „Indien ae muur wordt opgetrokken tot een hoogte van meer dan 12 m, moet de dikte van het gedeelte, gelegen tusschen het hoogste punt van den muur en het punt, 12 m daar beneden, ten minste dezelfde zijn als de in het voorgaande gedeelte van dit artikel genoemde. Voor een balkdragenden muur geldt deze bepaling voor het gedeelte, gelegen tusschen het hoogste punt van den muur en de plaats, waar de balklaag het naast boven het punt 12 m beneden het hoogste deel van den muur gelegen, op den muur rust; indien deze plaats niet juist op een afstand van 12 m beneden het hoogste punt van den muur ligt.”

Zou het werkelijk overdreven' zijn als ook de redactie van voorschriften eens grondig werd herzien of met schetsen werd toegelicht?

Het heeft overigens weinig zin, het geheele artikel van de Heeren van Buuren en Kiers te becritiseeren; beter is het aan

de hand van de elf, door hen getrokken conclusies, eenige misvattingen te weerleggen.

1. „Daar ons niets bekend is van de technische en economische mogelijkheden, zelfs van een nabijen tijd, is het, onder de tegenwoordige omstandigheden, niet vruchtdragend te achten een verdere normalisatie in den woningbouw voor te bereiden.”

Dus eerst wachten op een anderen tijd en dan pas het middil gaan bestudeeren, dat het meest geschikt is om de ontredderde volkshuisvesting in korten tijd te verbeteren. De schrij* vers geven zich weinig rekenschap van het enorme werk, dal voor een goede normalisatie van bouwverordeningen noodig is. Op het oogenblik kan er niet gebouwd worden, dus nu voorbereidingen maken om straks de moeilijkheden op het ge» bied van de volkshuisvesting zoo spoedig mogelijk uit den weg te ruimen, lijkt mij verstandiger. |

Zelfs al moet er gewerkt worden met genormaliseerde woningtypen, al zouden er na den oorlog mijnentwege 100.000 eendere woningen over het geheele land gebouwd worden en we kunnen dan zeggen, dat in ons land reeds één of twee jaar na den oorlog de woningnood verdwenen was, dan is er alleen reden om te juichen, ook als deze woningen architectonisch geen succes zouden zijn, wat evenwel ook heel goed wel het geval kan zijn. |—

De eventueel aangerichte cultuurschade acht ik dan niet van het minste belang t.o.v. de behaalde winst op moraal-theologisch terrein. Zonder goede moraal geen goede cultuur. 2. „Een normalisatie tot het uiterste zou moeten beginnen met het plart van uitbreiding; het offer is in dit geval niet evenredig met de winst, die slechts volledig kan worden geboekt, bij het ontwerpen van ideaal-steden op niet geaccidenteerd maafldelijk terrein.”

Hier wordt kennelijk gedoeld op het genormaliseerde woningtype. Er bestaat evenwel geen behoefte om villa’s en ruime heerenhuizen te normaliseeren; de normalisatie van bouwverordeningen wordt in hoofdzaak bedoeld voor de arbeiders-