is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 24, 1943, no 1, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. „Deze laatste leidt, landelijk toegepast, tot monotonie en eenvormigheid en das tot cultuurschade: een woning is essentieel iets anders dan een auto of een kano.”

5. ~Gelet op het reeds bereikte zal met verdere normalisatie weinig voordeel meer zijn te behalen.” Deze conclusie is allereerst te lezen in verband met de andere.

Wij ontkennen niet dat nog eenig voordeel te bereiken zou zijn, doch achten dit gering. Zie vooral conclusie nr. 1. 6. ~Het bouwbedrijf zelf kan allerlei onderdeelen ongetwijfeld nog verder normaliseeren.” 7. „Deze normalisatie is uitsluitend vpor de minimum woning van het grootste belang.”

Hiermede is niet gezegd dat zij voor de andere woningtypen van geen belang is. Dit is slechts van minder beteekenis. 8. ~De bouwverordeningen zijn reeds zeer ver genormaliseerd.”

De onzerzijds bedoelde normalisatie betreft in hoofdzaak de sterk uniforme formuleering. ontstaan op aandrang der Rijksinspectie en der Provinciale Besturen. Dat sterker uniformiteit in maten e.d. mogelijk zou zijn ontkennen wij niet. zie vooral, maar niet uitsluitend, conclusie 9. De Bouwverordeningen zijn inderdaad niet zoo ver mogelijk genormaliseerd. Wel is er bezwaar tegen het als norm aannemen van alle minima. d.i. het minimum in elke categorie, van den Heer Keulemans. Praktisch komt een bouwverordening in dier voege niet voor. en zij zou minder juist zijn door het ontbreken van elke compensatie. Normalisatie op grond van het lijstje zou niet op de laagste cijfers moeten teruggrijpen, maar bijv. 3.50 m kamerbreedte. 16 voor oppervlakte woonvertrek (thans in bijna geheel Zuid Holland) enz. Zou de eigenbouwer zelf in die richting willen werken en niet van alle minima willen profiteeren, dan is er in wezen reeds een normalisatie. Hij heeft het dus in eigen hand. De enkele afwijkingen, welke dan nog overblijven, zullen al dan niet met dwang wel spoedig verdwijnen. Overigens moet de eisch worden gesteld, dat een gemeente op grond van locale omstandigheden niet aan elk minimum gebonden mag of kan zijn.

9. „Alleen op het gebied der bepalingen, die de uitwerking vormen van wetenschappelijk te bepalen grootheden, ligt nog noemenswaard terrein braak (verlichtingsoppervlak, ventilatie, afvoer van rook en water, isolatie betreffende warmte en geluid, brandveiligheid e.t.q.): de Hoofdcommissie voor de Normalisatie in Nederland is hiervoor het

aangewezen orgaan. Dat ook. buiten het genoemde terrein, nog iets kan worden bereikt, ontkennen wij niet.

10. ..Normalisatie zal de ontwikkeling der wooncultuur niet mogen remmen.”

11. ..Een genormaliseerd minimaal woningtype, bruikbaar voor het geheele land. is ondenkbaar, mede omdat de grondpolitiek zich niet voor normalisatie leent.” De grondpolitiek begint bij het plan van uitbreiding. Normalisatie dier plannen is in feite alleen denkbaar langs den weg. in Amerika gevolgd. Het aanbod is niet ons ideaal en b.v. in ons polderland niet voor toepassing vatbaar.

C. G. van Buuren

G. F. E. Kiers

Binnenland

Verkoop van bouwterreinen

Het is bekend dat sommige gemeentebesturen in den laatsten tijd blijk gaven van de neiging om op groote schaal tot verkoop van gemeentelijk grondbezit over te gaan. De Commissaris der provincie Gelderland heeft indertijd hierin aanleiding gevonden om een circulaire te richten tot de gemeentebesturen in zijn gewest, gelijk wij in het Januari-nummer van den vorigen Jaargang hebben bericht. Thans is over een geval van verkoop van bouwterreinen in de gemeente Katwijk in beroep beslist door den Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken. De voornaamste overwegingen van dit besluit zijn in de rubriek Rechtspraak afgedrukt.

Het onderhoud van werven en de welstand Utrecht

In de bouwverordening van Utrecht is een gewijzigde bepaling opgenomen, die dé eigenaren of gebruikers van een werf verplicht te zorgen dat de werf in alle opzichten in een zoodanigen staat verkeert, dat het stadsschoon of de gebruikswaarde van de belendingen daardoor niet wordt geschaad en voorts om de voorwerpen of stoffen, welke naar het oordeel van den burgemeester, waarnemende de taak van Burgemeester en Wethouders. uit een oogpunt van welstand aanstoot geven na ontvangst van een met redenen omkleede aanschrijving van den Burgemeester binnen een door hem gestelden termijn van de werf te verwijderen.

De bestaande bepalingen boden reeds de gelegenheid te waken tegen gebrekkig onderhoud van de werfmuren en tegen ontsiering van de werven door voorwerpen of stoffen, welke daarop mochten worden geworpen of opgeslagen.

Geldersche natuurbeschermingsverordening

Voor de tweede maal heeft de Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken in beroep uitspraak gedaan omtrent de toepassing v-in de Geldersche natuurbeschermingsverordening. Het nieuwe besluit, gedagtcekend 10 November 1942 (B.Z. No. 1 B.B.), raakt een gedeelte van de gemeente Hummelo en Kcppel, dat door den Commissaris der provincie Gelderland was aangewezen als natuurmonument in den zin van de genoemde verordening. De overwegingen, die dat besluit hebben bepaald, karakteriseerden de landgoederen van de kasteelen „Ulenpas", „Keppel” en „Enghuizen" met de tusschengelegen terreinen rondom de dorpen Hummelo, Hoogcn Laag Keppel als bestaande uit fraaie bosschen en door prachtige oude lanen, waterpartijen, vennen en dicht struikgewas onderbroken landerijen, terwijl het Ocstelijk deel der gemeente bizonder aantrekkelijk werd geacht door zijn beboschte heuvels en hier en daar eenige heide en akkerland, waarbij een laag gelegen ongerept agrarisch gebied direct aansluit. Eenige belanghebbenden hebben zich in beroep tegen deze aanwijzing verzet. Hun bezwaren kwamen hierop neer, dat eventueele plannen tot bebouwing van hun perceelen door het besluit van den Commissaris worden belemmerd en dat ontheffingen zeer moeilijk te verkrijgen zullen zijn, terwijl ook de meening naar voren werd gebracht dat de Commissaris ten onrechte het standpunt inneemt dat eerst als een bouwplan aanhangig is kan worden beoordeeld of zich een uitzonderingsgeval voordoet. Verder kwam de fungeerend Ontvanger der directe belastingen, registratie en domeinen te Doesburg in beroep omdat in de aanwijzing begrepen waren gedeelten van een openbaren Rijksweg, waarvoor bescherming tegen bebouwing overbodig moet worden geacht en daarnaast ook een perceel, waarop een Rijksbergplaats staat, waarover te allen tijde in het Rijksbelang moet kunnen worden beschikt. |

|De Secretaris-Generaal heeft het besluit van den Commissaris vernietigd |op grond van een drietal overwegingen, één principieele, ontleend aan de 'schade voor de appellanten, een stedebouwkundige en een incidenteele. ;De eerste is van zeer algemeene strekking. Zij wijst erop dat de appellanten door de aanwijzing als natuurmonument van hun perceelen, waardoor iedere andere bebouwing dan voor agrarische doeleinden wordt belet, in bun beschikkingsrecht zeer worden getroffen, terwijl de mogelijkheid tot ontheffing hierin niet op genoegzame wijze voorziet. De stedebouwkundige I overweging betreft de begrenzing van bet gebied, die mede naar het oordeel van den f-Joofdinspecteur van de Volkshuisvesting tamelijk willekeurig is. De derde overweging gaat ervan uit dat inmiddels door den burgemeester van Hummelo en Keppel een besluit is genomen ex art. 36, vierde lid, der Woningwet betreffende de voorbereiding van een uitbreidingsplan, waardoor voorloopig geen gevaar voor aantasting van het natuurschoon te duchten is. Vooral de eerste overweging reikt verder dan het geval, dat hier in het j geding was. Afgewacht moet worden welken invloed deze uitspraak heeft 2P de *lWBrtlezette hWWMIIBi van verordening.

Klimaatregeling in woningen en werkruimten

Binnenkort zal van de Commissie voor de klimaatregeling in gebouwen, die deel uitmaakt van de Centrale Organisatie voor Toegepast-Natuurwetenschappelijk Onderzoek T.N.0., een rapport verschijnen, getiteld: in Woningen en Werkruimten”. |

Dit rapport is ontstaan door de samenwerking van verwarmingstechnici, architecten en hygiënisten. Deze samenwerking heeft gevoerd tot dit boek» werk, waarin de kennis over dit onderwerp, opnieuw gerangschikt, is uitgebreid kunnen worden met eenige nieuwe gegevens. Deze vormen de uitkomsten van een groot aantal onderzoekingen, in den loop der laatst! jaren door de Commissie, onder leiding van Prof. Ir. A. J. ter Linden, verricht, in samenwerking met de door haar leden vertegenwoordigde instanties, waarbij het Laboratorium voor Warmtetechniek der Technisch! Hoogeschool een belangrijke plaats inneemt. |

Het eerste deel van het rapport omvat een beschouwing over de physifll#« gie van het menschelijk lichaam met betrekking tot de warmteregulatie, welke de basis vormt voor de klimaatregeling in gebouwen. Dit is bewerkt door de Medische Subcommissie onder leiding van den Heer J. P. Bijl, arts. Directeur van bet Instituut voor Praeventieve Geneeskunde, In bet tweede deel worden deze grondslagen verder uitgewerkt tot practiscbe gegevens over bet binnenbuisklimaat, van belang voor den warmtetecbnicus. Vermeld worden een aantal eiscben, waaraan volgens de Gommissie bet binnenbuisklimaat moet voldoen en waaruit de voorwaardM