is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 24, 1943, no 4, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Richtlijnen voor de herziening van de gemeentelijke indeeling

door Drs. G. H. L. Zeegers, hoofd van de afdeeling sociaal-economisch en economischgeografisch onderzoek van het bureau van den Rijksdienst voor het Nationale Plan

De wenschelijkheid heeft zich doen gevoelen algemeen geldende, objectieve normen te formuleeren, welke zooveel mogelijk voor het geheele land als richtsnoer bij het opstellen van plannen tot verbetering der gemeentelijke indeeling en bij de beoordeeling daarvan kunnen worden aangehouden. Te dien einde heeft het bureau van den Rijksdienst voor het Nationale Plan samen met het Departement van Binnenlandsche Zaken (bureau Staats- en Administratief Recht) over deze materie zijn gedachten laten gaan. De richtlijnen zullen voor de concrete gevallen nader moeten worden uitgewerkt.

Voor het verkrijgen van richtlijnen voor de gemeentevorming en de herziening van de gemeentelijke indeeling, komt het er op neer vast te stellen aan welke voorwaarden een plaatselijke gemeenschap moet voldoen om voor het vormen van een zelfstandige gemeente in aanmerking te komen. Door deze vaststelling wordt niet enkel een richtsnoer gegeven voor de gevallen, waarin gemeenten worden samengevoegd en nieuwe gevormd, doch ook voor grenswijzigingen kunnen hieruit directieven worden afgeleid.

Uit den aard der zaak kunnen de opgestelde richtlijnen slechts een algemeen karakter hebben, daar de groote verscheidenheid van gevallen een nadere detailleering onmogelijk maakt. Bij de toepassing in de praktijk zal rekening moeten worden gehouden met de concrete werkelijkheid, welke dikwijls van streek tot streek in belangrijke mate verschilt.

Ampele overweging van het onderhavige vraagstuk heeft geleid tot het opstellen van de volgende criteria, die gezamenlijk een richtlijn kunnen vormen bij het wijzigen van de gemeentelijke indeeling.

1. Ter beoordeeling van de vraag aan welke voorwaarden een plaatselijke gemeenschap moet voldoen om in aanmerking te komen voor het vormen van een zelfstandige gemeente, geldt als uitgangspunt, dat elke eenigszins beteekenende bevolkingskern, die in voldoende mate een locale eenheid met een eigen belangensfeer en verzorgingsgebied vormt, een publiekrechtelijken uitingsvorm behoort te hebben en derhalve een gemeente dient te vormen.

Een gemeente moet een dagelijks door de burgers ervaren, locale samenleving omvatten, welke ook in materieel opzicht zooveel mogelijk gemeenschap van belangen vertoont. Beide factoren bevorderen de belangstelling der ingezetenen voor de publieke zaak, waardoor de band tusschen burgers en plaatselijk bestuur wordt bevestigd. Zoodoende wordt een hechte basis verkregen voor een organisatie ter behartiging van de locale belangen, die hecht in de gemeenschap wortelt en deze belangen met kennis van zaken kan behartigen. Uit dit uitgangspunt vloeit de algemeene conclusie voort, dat in beginsel elk dorp, hetwelk met het omliggende platteland een consumptieve en distributieve eenheid vormt en daarmede sociale banden onderhoudt, de hoofdkern van een afzonderlilke gemeente dient te vormen. |

De gemeenten moeten werkelijke gemeenschappen zijn, willen zij haar functie in het bestuursstelsel op juiste wijze kunnen vervullen. Decentralisatie van bestuur kan slechts berusten op innerlijk hechte organismen, die ook door de burgerij zelf al| zoodanig worden beleefd.

2. Het aantal inwoners van een gemeente mag, met het oog op een goede bestuurbaarheid (zoowel voor de noodige vrijheid in [inancieel opzicht als voor het vinden van geschikte personen voor het openbare en vereenigingsleven) niet te gering z§n. I

Bib alQemeen toelaatbaar minimum voor het aantal inwoner!

eener gemeente, dat voor het geheele land als norm kan gelden, is bezwaarlijk vast te stellen. Van streek tot streek zijn de feitelijke verhoudingen en de eischen, welke aan het bestuur en de plaatselijke behoefte-voorzieningen kunnen worden zeer verschillend. |

Hoewel met iet noemen van cijfers groote voorzichtigheid moet worden betracht, leert de praktijk, dat het algemeentoelaatbaar-minimum voor het aantal inwoners eener gemeente gezocht moet worden in de orde van grootte van 2000 a 3000. Een vaste norm mag hieruit echter allerminst worden afgeleid en deze cijfers worden dan ook slechts genoemd om de gedachten te bepalen. Er wil slechts mee gezegd zijn, dat het bij de gemeenten, gelegen onder deze grens, aan ernstigen twijfel onderhevig is, of zij bij machte zijn te voldoen aan de eischen, welke tegenwoordig aan het bestuur en de openbare voorzieningen worden gesteld, doch allerminst dat alle gemeenten met minder dan 2000 a 3000 zielen geen reden vHI bestaan hebben.

Toepassing van de andere aangegeven criteria zal het somtijds gewenscht doen blijken kleinere gemeenten in het leven te laten.

3. De oppervlakte van en de wegafstanden binnen een gemeente mogen niet te groot zijn. |

Deze grootheden zijn van primair belang bij de uitoefening van het plaatselijk bestuur en voor de intensiteit van het gemeentelijk leven. De bewoonde kernen binnen de gemeentegrens mogen onderling en ten opzichte van de hoofdkern (met het gemeentehuis) niet te ver verwijderd liggen, opdat tusschen deze agglomeraties een wezenlijk contact bestaan kan (school-, kerk-, winkel-, marktbezoekers enz.) Als praktische maximum afstand (langs den weg gemeteri) van grens tot kern moge 10 a 12 km genoemd worden, terwijl een afgeronde vorm zonder uitsteeksels en enclaves dient te worden naqestreefd. i —--* – * I

Ook hier iditer ~aan den genoemden afstand geen alge-l meene gelding worden toegekend. De geografische omstandigheden en de verkeers- en vervoersmogelijkheden brengen in welhaast elk geval verschillende eischen mede.

4. Voor een organische ontwikkeling eener gemeente en ter bevordering van de sociale harmonie is het wenschelijk, dat zij een uitgesproken hoojdkern heeft, die niet excentrisch mag zijn gelegen en niet door één of meer nevenkernen van gelijke orde van grootte mag worden bedreigd. Wanneer meerdere kernen van ongeveer gelijke grootte-orde binnen één gemeente gelegen zijn, dreigt, tenzij daarnaast een kern van hoogere orde voorkomt, het gevaar van onderlingen naijver, hetgeen bij elke poging tot het treffen van een centrale voorzieninQ tot uiting zal komen.

Compromis-oplossingen, hetzij bestaande in een verdeeling van de centrale voorzieningen over de verschillende kernen, hetzij in het verdubbelen of verdrievoudigen daarvan, leiden in dergelijke gevallen tot financieel niet-verantwoorde gevolgen en tot een niet-organischen groei der gemeente. Het begrip van een domineerende hoofdkern sluit in, dat deze ook het economisch-sociaal en geografisch centrum der gemeente vormt, terwijl zij zooveel mogelijk moet zijn gelegen op een knooppunt van verkeer, dat het geheele gebied der gemeente en daarmede de nevenkernen omvat.

5. Een gemeente dient uit sociaal-economisch oogpunt (wat ée bestaande middelen betreft) en in cultureel opzicht (volksaard, kerkelijke gezindten) een harmonisch geheel te vormen. Met nadruk zij er op gewezen, dat hier niet bedoeld wordt ~uniformiteit”, doch „harmonie”, hetgeen vooral uit cultureel oogpunt van belang is, |

Het moet voor het gemeentelijk bestel minder gunstig worden geacht, wanneer een gemeente bestaat uit een industrieelen en agrarischen sector, welke in afzonderlijke kernen gecentraliseerd zijn. Ook verschillende agrarische oriëntatie kan ongewenschte gevolgen hebben. Bij voorkeur dienen harmonieerende en wederkeerifl afhankelijke belangen te worden samenge-