is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 24, 1943, no 4, 1943

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bracht, daar anders bij elke voor de geheele gemeente geldende beslissing de tegengestelde belangen met elkaar in botsing zullen komen. Het valt toe te juichen, wanneer de economische verhoudingen en belangen in een gemeente parallel loopen (oriënteering op markten, havens enz. en economische organisaties en coöperaties), terwijl het als wenschelijk moet worden beschouwd, dat het vereenigingsleven binnen een gemeente zooveel mogelijk een gesloten geheel vormt. In den regel geeft dit een goeden maatstaf voor de kracht van het plaatselijk leven.

Bij voorkeur dienen groepen met een uitgesproken tegengesteld cultureelen inslag of levenswijze niet gezamenlijk in één gemeentelijk verband te worden samengebracht. Het is in het algemeen uit bestuurlijk oogpunt bezien wenschelijk, dat bevolkingscomplexen met een eigen sociaal-economisch of cultureel karakter een afzonderlijk bestuur hebben, dat zooveel mogelijk op een innerlijk contact met de bevolking gebaseerd is.

Als zeer belangrijk gevolg vloeit uit het vorenstaande voort de principieele scheiding tusschen stads- en plattelandsgemeenten. Hoewel in vele gevallen intensieve banden tusschen een stad en het haar omringend platteland kunnen worden aangewezen, dient toch als richtlijn gesteld te worden, dat, zoo eenigszins mogelijk, het stedelijk bestuur zijn bemoeiingen niet over het plattelandsgebied uitstrekke.

Het saamhoorigheidsgevoel der bevolking en daarmede de kracht van het gemeentelijk leven worden bevorderd door bij de gemeentelijke indeeling rondom de steden (als plattelandscentra) een op deze onderscheiding gebaseerde grensscheiding in acht te nemen.

Andererzijds dient erkend te worden, dat de stad, mede voor de vervulling van haar functie ten opzichte van het omringend platteland, een ruimen armslag voor haar uitbreiding behoort te hebben. Het is van belang bij het bepalen van de mate daarvan uitbreidingsplannen, streekplannen of in voorbereiding zijnde ontwerpen daarvan tot uitgangspunt te nemen. Dikwijls zal het voorkomen, dat het uitbreidingsplan tengevolge van te krap bemeten grenzen de noodige ontwikkelingsmogelijkheden niet heeft kunnen 'aangeven. In dergelijke gevallen zal een voor het beoogde doel door den provincialen planologischen dienst in overleg met de gemeentebesturen opgemaakt schetsontwerp uitkomst kunnen bieden.

Van de plattelandsgemeenten dient slechts te worden afgenomen wat de stad voor haar uitbreiding bepaaldelijk behoeft, alsmede een agrarische randzöne van beperkte breedte, die ongewenschte verschijnselen direct tegen den stadrand (b.v. woonwagenkampen, vuilstortplaatsen e.d.) voorkomt. Wanneer daarna van de randgemeenten belangrijke gedeelten overblijven, bestaan er twee mogelijkheden:

a) het restant van de randgemeenten blijft, als het geacht kan worden voldoende levenskracht te bezitten, als zelfstandige gemeente voortbestaan; b) het restant wordt, indien de onder a bedoelde oplossing niet mogelijk blijkt, zoo doelmatig mogelijk ondergebracht bij een derde gemeente van gelijk karakter. In beide gevallen zal door het weren van z.g. parasitaire bebouwing door de randgemeenten (b.v. door het beperken van de bebouwing langs de uitvalswegen tot agrarische ge-, bouwen, het voorschrijven van bepaalde minimumafstanden e.d.) voorkomen kunnen worden, dat een nieuwe aanleiding tot annexatie in de toekomst ontstaat.

Eerst wanneer alle andere mogelijkheden uitgeput zijn, kan de toevoeging van het restant aan de stad worden overwogen. Er zij in dit verband met nadruk op gewezen, dat het forensen-, verschijnsel op zichzelf slechts in bizondere gevallen voldoende motief tot annexatie opleveren kan. Wel kan de behoefte van de stad aan recreatiegebieden soms toevoeging van landelijk gebied noodzakelijk maken.

Zeer duidelijk blijkt hier de noodzakelijkheid om bij elke herziening der gemeentelijke indeeling het geheele complex der betreffende gemeenten in oogenschouw te nemen. In den regel

werpt een grenswijziging tusschen twee gemeenten ook problemen ten aanzien van andere gemeenten op. Het is daarom noodzakelijk elke herziening van gemeentegrenzen in streekverband te bezien. Incidenteel ingrijpen leidt onherroepelijk tot onbevredigende resultaten.

6. Een gemeente moet zooveel mogelijk een geografisch har~ monisch geheel vormen en zoo mogelijk een gebied omvatten, dat uit waterstaatkundig oogpunt gemeenschap van belangen heeft.

Het samenvallen van gemeente en waterstaatkundige bestuurskringen is in verschillende opzichten bevorderlijk voor de innerlijke banden van het geheel. Bij een herziening van een gemeentelijke indeeling kunnen soms uit dit richtsnoer en uit de verkaveling der gronden belangrijke aanwijzingen worden geput.

7. De financieele toestand der gemeenten moet vooral beoordeeld worden in verband met de sociale-economische en geografische factoren, die het wezenlijk karakter der gemeente bepalen.

Bij de beoordeeling van den te verwachten financieelen toestand van een gemeente na een herziening der grenzen zal moeten worden bedacht, dat de vorming van gemeenten een zaak voor langen termijn is, zoodat uiteraard aan de sociaaleconomische en geografische factoren, die het wezenlijk karakter der gemeente beheerschen, veelal meer waarde moet worden toegekend dan aan den slechts over een relatief kort tijdsbestek te overzienen financieelen toestand.

Hoewel vanzelfsprekend bij een herziening der gemeentelijke indeeling er naar gestreefd zal worden ook in financieel opzicht zoo krachtig mogelijke eenheden te scheppen, kan de eisch, dat een nieuw te vormen gemeente terstond na de grenswijziging in alle opzichten een gezonde financieele positie moet hebben, vooral onder de huidige omstandigheden, niet den boventoon voeren bij de herziening der gemeentelijke indeeling.

Veelal worden grenswijzigingen of samenvoegingen van gemeenten bepleit om bezuiniging op bestuurskosten te verkrijgen. De praktijk heeft uitgewezen, dat aan dit vermeende voordeel niet al te groote waarde mag worden gehecht. Slechts waar zeer kleine gemeenten in het spel zijn, kan op dit stuk soms een merkbaar resultaat worden verkregen.

8. Tenslotte mogen hier eenige opmerkingen volgen over de feitelijke vaststelling van gemeentegrenzen.

Het stelsel van land-, spoor- en waterwegen speelt bij de feitelijke grensbepaling een belangrijke rol. Niet in dier voege, dat de grens steeds of zelfs bij voorkeur langs deze elementen zou moeten worden getrokken. Doch veeleer in dien zin, dat deze elementen hetzij een scheidende, hetzij een verbindende functie kunnen hebben. Zoo zal een snelverkeersweg, een spoorweg en een niet van los- en laadplaatsen voorziene (of daarvoor in te richten) waterweg uit gemeentelijk oogpunt veelal een scheidend element zijn en zal derhalve aanleiding bestaan de grens langs dergelijke elementen te trekken. Daarentegen vormen bebouwde (of voor bebouwing in aanmerking komende) wegen en waterwegen in een havengebied een verbindend element en zal de gemeentegrens deze zooveel mogelijk rechthoekig moeten kruisen, omdat de beide zijden van den weg (waterweg) gelijke belangen hebben.

Een doelmatig net van verkeerswegen zal op gelijke wijze als in een berglandschap natuurlijke afvloeiing naar het laagste punt plaats vindt het locale verkeer uit de verschillende deelen der gemeente naar de kern daarvan trekken. De grens der gemeente —■ vergelijkbaar met de waterscheiding zal men dus liefst zoodanig kiezen, dat ter weerszijden daarvan de woningen zooveel mogelijk op verschillende kernen georiënteerd zijn. Met name de schoolgrens van 4 km kan in dit verband invloed uitoefenen.

Overigens verdient het aanbeveling, dat markante, in het terrein duidelijk zichtbare scheidingslijnen (w.o; de kavelgrenzen) gevolgd worden. Zoo zal, indien het onvermijdelijk is de