is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 27, 1946, no 1, 1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de woningvoorziening een bedrijfschap zal worden ingesteld, dat dan in den gedachtengang van het ontwerp met verstrekkende bevoegdheden zou zijn toegerust. Wij aarzelen niet het wetsontwerp om deze reden als uiterst belangrijk voor de geheele volkshuisvesting aan te merken. Wij staan hier voor een delegatie van bevoegdheden van de overheid of in verband met een verder verwijderd verleden beschouwd, voor een regeling bij besluit van het bedrijfschap van wat vroeger uitkomst was van vrije prijsvorming en onderlinge concurrentie. Wij staan voor de vraag hoe de samenstelling van het bestuur van het bedrijfschap zal moeten zijn, zal het voldoende vertrouwen kuimen inboezemen dat het in staat zal zijn een, dergelijke taak naar behooren te verrichten. Wij staan ook voor de vraag hoe de zeggenschap van het nieuwe orgaan dient te worden afgebakend, ten opzichte van die, welke de gevestigde publiekrechtelijke lichamen aan de Woningwet en andere wetten ontleenen. Het wetsontwerp en de toelichting, die het vergezelt, gaan op deze vracfen niet in en kunnen dat ook moeilijk doen, omdat zij slechts een algemeen schema bevatten, dat bedrijf voor bedrijf zal moeten worden gepreciseerd en aangevuld. Het is zaak dat zij, die de volkshuisvesting dienen, nu al een antwoord zoeken op de opgesomde vragen. Het Instituut zal er zich binnenkort mee hebben bezig te houden.

Het Nationale Plan in de Tweede Kamer

Bij de discussies over de z.g. beleidsnota in de Tweede Kamer heeft de Heer van der Goes van Naters den Rijksdienst voor het Nationale Plan in tweeërlei opzicht in het geding gebracht, namelijk wat de positie van den dienst aangaat in de departementale indeeling en wat betreft de beteekenis van het Nationale Plan onder de huidige omstandigheden. De Rijksdienst, zoo zeide deze spreker, is altijd bedoeld geweest als interdepartementaal en dat moet hij ook blijven: hij zou met enkele andere diensten eveneens algemeene planorganen onder het coördineerende Ministerie moeten worden gebracht, dat van den Minister-President. En verder merkte de Heer van der Goes op, dat deze instelling ~zoo spoedig mogelijk tot nieuw leven moet worden gewekt door haar weer een president te geven, wiens ontbreken op het oogenblik) het geheele werk van dien dienst lam legt”. „Voor de toekomst van Nederland is de stedebouw en de planmatige voorbereiding nu van meer belang dan ooit. Is de Regeering als geheel doordrongen van de noodzakelijkheid van het Nationale Plan”?

Verkoopprijzen van huizen

Onder dit hoofd namen wij in het vorige nummer een bericht op, dat ontleend was aan eenige dagbladen. Het hoofd van de Afdeeling Onroerende Zaken van het Directoraat-Generaal van de prijzen brengt onder onze aandacht dat dit bericht e’en onjuisten indruk wekt en is zoo vriendelijk ons van de juiste toedracht op de hoogte te brengen.

Er is geen enquête ingesteld bij alle prijzenbureaus, zooals ons bericht suggereerde, maar de vraag, waarvan in onze mededeeling sprake was, is slechts gesteld aan de( hoofden van een viertal der grootste prijzenbureaus in hun kwaliteit van deskundige op het gebied van de exploitatie van onroerend goed en aan eenige andere terzake kundigen. De opzet was dus slechts een peilen van de stemming bij enkele personen.

Vorderingsbesluit woonruimte

De toepassing van dit besluit heeft opnieuw aanleiding gegeven tot rechterlijke uitspraklen. De president van de rechtbank te Zutphen heeft in kort geding vonnis gewezen (op 30 October 1945, inzake een geschil, dat zich afspeelt in de gemeente Winterswijk. De burgemeester van deze gemeente had een deel van een woning leri plaatse gevorderd, waartegen belanghebbenden zich verzetten, ten deele op formeele gronden, ten deele ook op dezen grond, dat het gezin, ten behoeve waarvan de vordering is geschied, zeer wel in eigen woonruimte zou kunnen voorzien. De president heeft in de eerste plaats het verweer van den burgemeester als zou hij niet bevoegd zijn de rechtmatigheid van de handelingen van dezen te beoordeelen, in zijn algemeenheid afgewezen. De formeele bezwaren worden verworpen en vervolgens erkent de president zijn onbevoegdheid tot beoordeeling van het door den burgemeester bij de uitoefening van zijn overheidstaak gevoerde beleid. De president weigert derhalve in een afweging te treden van de belangen van de' eischers eenerzijds en het gezin, waarvoor de burgemeester woonruimte vrij wilde maken, andererzijds. Van andere strekking is eenl uitspraak van den president van de rechtbank te Assen,; eveneens van 30 October 1945, waarbij de vordering van een woning door den burgemeester van Hoogeveen is geschorst. Degene die de gevorderde woning zou hebben te ontruimen, had hier opgeworpen dat in dit geval geen „dringende noodzaak” aanwezig was, zooals artikel 1 van het Vorderingsbesluit Woonruimte na de herziening bij Kon. Besluit van 26 September) 1945 vereischt. Deze wijziging heeft op zichzelf de bevoegdheid van de burgemeester in verschillende opzichten vergroot, maar blijkbaar als tegenwicht daartegenover de aangehaalde bewoordingen ingelascht. De eischer heeft hiervan gebruik gemaakt door de omstandigheden van zijn gezin en die van het gezin, voor hetwelk de woning was gevorderd, volledig in het geding te brengen. Het vonnis overweegt dat de woning die de burgemeester voor den eischer heeft aangewezen zeer wel zou kunnen worden betrokken door het gezin, dat de gevorderde woning zou moeten betrekken, zoodat de dringende noodzaak ontbreekt.

Intrekking woonvergunning

In Arnhem bestaat een verordening betreffende het verblijven binnen de gemeente, krachtens welke aan een ter plaatse terugkeerend bewoner een woonvergunning was afgegeven, die echter eenigen tijd later is ingetrokken. De bewoners zijn vervolgens, toen zij de woning bleven bewonen, door de politie gearresteerd en hun goederen zijn uit de woning verwijderd. De Arnhemsche rechtbank heeft in kort geding te beslissen gehad over deze aangelegenheid. Het vonnis (van 29 September 1945, gepubliceerd in de Officieele Bekendmakingen der Vereeniging van Nederlandsche Gemeenten 1946, No. 891) houdt in dat een vergunning, die weer zou kunnen worden ingetrokken, geen enkele zekerheid biedt aan iemand, die zijn woning weer wil betrekken en daartoe kosten moet maken: bovendien behelst de verordening geen enkele bepaling, die op bevoegdheid tot intrekking wijst. Op deze en andere gronden werd aangenomen dat de gewone rechter waarschijnlijk zal beslissen dat het optreden van de overheid te dezen onrechtmatig is geweest. Op dezen grond strekt het vonnis tot ter beschikking stelling van de woning aan eischer, met dien verstande dat althans drie kamers te hunner beschikking zullen komen (de woonvergunning had betrekking op vijf kamers: een deel van het pand is in gebruik bij den Auto Bevrachtingsdienst).

Sectie woningbouwvereenigingen

In den loop van den oorlog hebben de woningbouwvereenigingen een plaats gevonden in de organisatie van het bedrijfsleven,; en wel onder de Hoofdgroep Banlden in een afzonderlijke sectie, welke deel uitmaakte van de ondervakgroep „exploitatie van en handel in onroerende zaken". Met ingang van 1 Januari 1.1. is deze sectie weer opgeheven. Ter verklaring kan worden medegedeeld, dat de opneming van de woningbouwvereenigingen in het geheel van de organisatie van het bedrijfsleven berustte op een keuze tusschen het voortbestaan als onafhankelijke organisaties met sociale doelstelling, met de kans echter op inmenging van Duitsche zijde, zooals vele andere z.g. niet-commercieele vereenigingen hebben moeten ondergaan en de gelegenheid om zich aan dit regiem te onttrekken. Nu de gevaren, die men wilde ontloopen, geweken zijn, bestaat er geen reden dezen nauwen band met de organisatie van het bedrijfsleven aan te houden.

Vernieling van woningen Amsterdam

Uit de rede,j waarmede de waarnemend burgemeester van Amsterdam de vergaderingen van den gemeenteraad heeft geopend, teekenen wij aan, dat in de Jodenbuurt, de Jordaan, de Eilanden en elders te zamen ca 4000 woningen door het publiek gesloopt zijn. Van de gemeentewoningen werden door bombardement totaal vernietigd 144, zwaar beschadigd 598, beschadigd 1594 woningen. Van de vereenigingswoningen totaal vernield 30, zwaar beschadigd 73, beschadigd* 1026 woningen, een en ander eveneens door bombardement.

Het herstel der beschadigde woningen heeft inmiddels plaats gehad: 130 totaal vernietigde gemeente- en 30 totaal vernietigde vereenigingswoningen werden nog niet opgebouwd.

Verder werden door de bevolking totaal gesloopt 349 gemeentewoningen en 346 gedeeltelijk: 6300 bewoonde woningen werden beschadigd.

Organisatie gemeentelijke diensten Rotterdam

Rotterdam heeft in de laatste jaren geen vaste lijn getrokken bij de organisatie van zijn gemeentelijke technische diensten. Hebben onze andere groote steden een vrijwel vaste, door de traditie beheerschte, zij het ook onderling sterk verschillende indeeling en werkverdeeling, Rotterdam heeft na de groote verandering van 1936 blijkbaar de bevredigende oplossing niet kunnen vinden: althans er is nu opnieuw een ingrijpende reorganisatie tot stand gekomen. Herinneren wij ons dat, in het genoemde jaar de diensten van Gemeentewerken, Stadsontwikkeling, Volkshuisvesting en Bouwpolitie zijn samengevoegd tot één gemeentelijken technischen dienst en wel voornamelijk, zoo zeggen B. en W. in de toelichting tot hun jongste besluit, uit bezuinigingsoverwegingen. Tijdens de bezetting is men op deze concentratie teruggekomen. Inplaats van de drie oude diensten kwamen er zelfs vier, doordat Volkshuisvesting en Bouwpolitie tot afzonderlijke diensten, elk onder een eigen directeur, werden verheven. Dit geschiedde onder het motief dat, gegeven de gewijzigde omstandigheden, de concentratie van de diensten, welke in het bizonder met de uitwerking en uitvoering van de opbouwplannen zijn belast, niet meer als een voordeel werd gevoeld, en veeleer de conclusie gewettigd was, dat een zoo omvangrijke taak niet aan één dienst onder eenhoofdige leiding kon worden toevertrouwd. Ook de bizondere positie van den toenmaligen directeur Van den Technischen Dienst als ontwerper van het stadsplan heeft bij dit besluit een rol gespeeld.

Het thans opgetreden college heeft zijn standpunt nu bepaald in dien zin, dat samenvoeging van al de genoemde diensten onder één directeur te ver gaat, maar dat bij de laatstelijk in praktijk gebrachte decentralisatie de balans te zeer naar de andere zijde is doorgeslagen. Het meent dat hierbij uit het oog verloren is dat de werkzaamheden der vier diensten, anders dan ten aanzien Van de overige gemeentelijke diensten en bedrijven het geval is, zoo zeer in elkaar grijpen, dat samenwerking alleen