is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 27, 1946, no 2, 1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

drijfschap bepaalt, en dus ook beslissend is voor de taak, die daaraan met vertrouwen kan worden opgedragen. Hierbij doet zich een tegenstelling gelden tusschen het belang van den consument, of, wil men, het sociale belang van de woningvoorz;ening en het verticale beginsel. Zoo lang een bedrijfsorganisatie zich bezig houdt met bedrijfsbelangen, welke buitenstaanders niet rechtstreeks raken, kunnen er kwalijk bezwaren rijzen, maar juist het verticale beginsel houdt in dat men regelingen op het oog heeft, die de totstandkoming van een product, in d't geval de woning, van de eerste bewerking af tot de overdracht aan den verbruiker omspannen. En in dit bedrijf doen zich nu eenmaal van ouds tegenstellingen tusschen bedrijfsbelangen en sociale belangen gelden, meer dan in vele andere bedrijven. Maar, zal men mij tegenwerpen, zijn er geen duidelijke teekenen dat die tegenstellingen terugwijken, dat bouwers en woning-exploitanten meer dan vroeger begrip hebben voor sociale eischen en ook gemakkelijker met oude tegenstanders tot overeenstemming komen ? Die teekenen zijn er, maar zij beheerschen het beeld nog niet en daarom kan men het bedrijfschap voorloopig niet Z'en als het nieuwe wetgevende lichaam, waaraan wij rustig een belangrijk deel van onze woningpolitiek kunnen opdragen. Veel hangt overigens af van de houding van die partijen bij de woningvoorziening, die meer dan de andere zich met het socale belang vereenzelvigen. Zullen bijv. de architecten een plaats moeten innemen in het bestuur, zullen de woningbouwvereenlgingen, de gemeentebesturen als exploiteerende en financierende lichamen, zich moeten doen vertegenwoordigen? Ik wil deze vragen voorloopig alleen maar stellen, niet beantwoorden, omdat er nog genoeg gelegenheid zal zijn tot overleg en gedachtenwissel ng hierover. Immers het voorontwerp, ook al werd het ongeveer ongewijzigd totstand gebracht, prejudicieert op deze aangelegenheden niet, mits het slechts ruimte laat wat nu twijfelachtig is —om aan een bedrijfschap ook zoo noodig een engere taak op te dragen dan die van het uniforme schema van art. 20.

In dezen gedachtengang heeft het dagelijksch bestuur van het Instituut zich tot den Minister van Handel en Nijverheid gewend met het voorstel het ontwerp! aldus te amendeeren. En wat de overige vragen betreft, zooals ik die opwierp, daarover zal binnen het Instituut gelegenheid zijn zich ten volle u’t te spreken in een ledenvergadering, waar de behandeling zal worden voorbereid door schriftelijk uitgebrachte praeadviezen.

H. v.d. W.

Woningdistributie

In de op 16 Februari 1.1. te Utrecht gehouden ledenvergadering van het Inst’tuut over het onderwerp ~Ervaringen bij de herverdeeling van woonruimte en eventueel daaruit voortvloeiende wenschen ten aanzien van de wettelijke regeling van deze materie hebben de drie inleiders een aantal stellingen toegelicht en verdedigd, welke ter vergadering zijn uitgereikt. Wij laten deze stellingen hieronder volgen. Een verslag van de vergadering zal in het volgend nummer een plaats vinden.

Stellingen van den Heer J. Bommer

I. De gemeentebesturen dienen een rechtvaardige en doeltreffende verdeeling der beschikbare woonruimte te bevorderen, waartoe de volgende middelen kunnen woiden aangewend: distributie van woningen (resp woonruimten), vordering met toepassing van het „Vorderingsbesluit Woonruimte , hergroepeering van huishoudens, woningsplitsing, inkwar-

2. Wettelijke regeling der distributie vtan woningen (resp. woonruimten) IS noodzakelijk. In de wet behoort o.a. te worden opgenomen • a. verbod om een woning in gebruik te nemen of te geven zonder vergunning van Burgemeester en Wethouders ;

b. verplichting tot aangifte van beschikbaar komende woningen bij Burgemeester en Wethouders ; ’ c. bevoegdheid van den Burgemeester om woningen, die zonder verqunmng in gebruik zijn genomen of gegeven, te doen ontruimen De werkingssfeer der wet blijve beperkt tot nader aan te wijzen gemeenten Aan de gemeentebesturen worde de bevoegdheid gegeven tot het stellen vaq nadere regelen.

3. Van rijkswege worde door het geven van nadere richtlijnen meer umrormiteit gebracht in de beoordeeling van aanvragen om vestiqinqsvergunning.

4. Het „Vordermgsbesluit Woonruimte" vereischt nadere toelichting Buiten twijfel worde gesteld, dat het besluit mede’ kan worden gehanteerd om woningen, in gebruik bij personen, die tijdens de bezetting een onvaderlandslievende houding hebben aangenomen, te doen ontruimen ten behoeve van gezinnen, die door maatregelen van den bezetter hun woning verloren.

5. Het verdient overweging alleenlevende personen, die een woning zelfstandig bewonen, te animeeren met anderen, in dezelfde situatie verkeerende, te gaan saraenwonen, teneinde daardoor woningen voor normale gezinnen vrij te maken.

6. Splitsing van, voor de tijdsomstandigheden te groote woonhuizen, worde bevorderd door het beschikbaar stellen van premies op den voet van de ministeriëele circulaire van 23 Juni 1938

Stellingen van den Heer Drs. J. van Hessen

(De conclusies en ervaringen in deze stellingen neergelegd, beperken zich tot die van gemeenten tusschen 40- en 100.000 inwoners)

1. a. Door de steeds verslechterende woningsituatie wordt de volkskracht reeds merkbaar ondermijnd. b. De huidige woningnood mag onder geen beding de door den oorlog toch reeds zoo geschokte volkskracht meer schaden dan strikt noodzakelijk is.

c. De regeering moet daartoe niet schromen over te gaan tot het verleenen van vergaande bevoegdheden. d. De aard der moeilijkheden op het gebied der volkshuisvesting is bijna zuiver plaatselijk.

e. De dagelijksche confrontatie met den grooten woningnood en de mogelijkheid hierin althans ten deele te kunnen voorzien indien de gemeentebesturen over groote bevoegdheid beschikten, nopen tot de overtuiging dat een wettelijke regeling die de gemeentebesturen deze bevoegdheid verleent dringend noodzakelijk is.

2. De strekking van deze regeling zal de volgende dienen te zijn : a. de vrijheid zelfstandig over andere woonruimte te beschikken dan die welke men op het oogenblik van de inwerkingtreding heeft dient te worden opgeheven voor den duur van den woningnood. b. Elke verandering van bewoning, voor zoover deze voor het doel der regeling, bijl te dragen tot de bestrijding van den woningnood en haar gevolgen, van eenigerlei belang kan worden geacht dient te worden geregistreerd.

Toestemming over een bepaalde woonruimte te beschikken kan slechts worden verleend door een daartoe aangewezen instantie. Deze instantie dient alle wettelijke bevoegdheden te hebben haar beslissing te doen verwezenlijken.

C. Voor zoover nog niet doelmatig gebruikte woonruimte aanwezig is dient hieraan een door genoemde instantie nader te bepalen bestemming te worden gegeven.

d. wanneer een doelmatiger gebruik van woonruimte door middel van verhuizing kan worden verkregen dient ook deze wettelijk mogelijk gemaakt te worden. l

3. De verplichting tot uitvoering van deze regeling beruste bij het College van B. en W.

4. Ontheffing van het onder 2 a genoemde verbod van beschikkingsvrijheid kan van regeeringswege voor een bepaalde gemeente worden verleend op verzoek van den gemeenteraad.

5. De uitvoering zal afhankelijk van plaatselijke omstandigheden en na incidenteele beoordeeling moeten geschieden. Het is niet mogelijk dit schematisch geheel door de wet geregeld te laten bepalen, daarvoor loepen de gevallen stuk voor stuk te zeer uiteen. De praktijk heeft wel geleerd dat geen twee gevallen aan elkaar gelijk zijn. Aard der huizen, familieverhoudingen, milieu, beroep, leeftijd, plannen, kortom een bont scala van individueele en sociale factoren leveren een zeer groote variatie van omstandigheden waarmee bij ieder geval rekening dient te worden gehouden.

6. Waarom zou men in deze niet minstens evenveel vertrouwen hebben in den goeden burgerzin. als in een nimmer aan de situatie adequate formeele juristerij ? Toezicht, bepaling van de groote lijnen en de beoordeeling van alle gevallen kunnen het best berusten bij een niet al te kleine commissie wier samenstelling aan de volgende eischen moet voldoen :