is toegevoegd aan je favorieten.

Tijdschrift voor volkshuisvesting; orgaan van het Nederlandsch Instituut voor Volkshuisvesting en den Nationalen Woningraad, jrg 27, 1946, no 8-9, 1946

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat. Deze voorloopige werkelijkheid vormt een aanknoopingspunt, doch de voorstanders der wijkgedachte willen vanzelfsprekend méér. En over dit méér zullen de opvattingen uiteen kunnen gaan. Er bestaat de mogelijkheid, dat men met de bestaande werkelijkheid voor een groot gedeelte genoegen neemt en haar reeds op het gewenschte plan ziet door beteren woningbouw, door wijkorganisatie, aangevuld met burgerzin en het stimuleeren van buurtfeestjes, alles overdekt door het even weinig als veelzeggende begrip gemeenschap. Laat ik er dadelijk, ter voorkoming van alle misverstand, aan toevoegen, dat dit gevaar stellig niet bestaat ten opzichte van hetgeen de medewerkers aan de studie-Bos beoogen. Integendeel, zij willen juist aanzienlijk veel meer. En hetzelfde kan gezegd worden van vele Engelsche propagandisten der wijkgedachte. Doch zoodra deze gedachte meer ingang gaat vinden, zal zij zeker een periode van vervlakking en misverstand gaan doormaken. Zooals met alle belangrijke indeeën het geval is.

Uit een technisch-stedebouwkundig oogpunt behoeven er tegen een indeeling in wijken geen belangrijke bezwaren te bestaan, vooral wanneer men bij den nieuwbouw of herbouw van steden de vrije hand heeft. Ook de bestuursorganisatie en de cultureele organisatie (hoewel reeds in mindere mate) ligt nog op het plan van het betrekkelijk gemakkelijk bereikbare De moeilijkheden en tevens de mooie mogelijkheden beginnen pas bij het ethisch en wereldbeschouwelijk aspect. En dit raakt over de Wijkgedachte heen het geheele probleem van het stedelijk wonen.

De verwerkelijking van elk ethisch ideaal moet bij een klein begin beginnen. Wanneer men door de organisatie der wijken, door een versterkt cultureel leven, door deelname in allerlei gemeenschappelijke activiteiten, door een beter milieu, i”fu mensch grooter sociale verantwoordelijkheid krijgt, meer denkt om anderen, dan is reeds zeer veel gewonnen. Misschien moet men hiermee reeds tevreden zijn. De invloed van een goede woonomgeving ook, van meer groen en zon en openheid, kan moeilijk overschat worden. (Hoewel het ook blijkt, dat in de mooie woonbuurten de menschen niet minder op een afstand tot elkaar en niet minder egocentrisch kunnen zijn dan overal elders. Waartegenover in aesthetisch minder gunstig bedeelde, eenvoudige buurten vaak een medeleven met elkaar bestaat. Bij de goede woonomgeving moet dus ongetwijfeld als zelfstandige factor het menschelijk medegevoel komen). De groote waarde derhalve, die de nieuwe stedebouwkundige ideeën, inbegrepen de wijkgedachte, voor onze sociale gezindheid, voor ons geluk en ons zich thuis voelen in het gebied waar wij wonen en werken, kunnen hebben, alle mogelijkheden, die hier bestaan, erken ik gaarne. En voorzoover hier iets beter bereikt wordt, zal er weinig ethische controverse over de nieuwe denkbeelden behoeven te bestaan. Slechts voldoening, en dat nog wel in een wereld, die tot zooveel pessimisme reden geeft.

Men kan zijn sociaal-ethische idealen, zijn verlangens op het gebied van menschelijke houdingen en verhoudingen echter ook hooger stellen en het is hier, dat ik mij naar aanleiding van de studie-Bos c.s. gaarne een opmerking zou veroorloven. Het komt mij voor, dat het in deze studie niet steeds klaar wordt op welk peil de medewerkers hun idealen stellen. Ik bedoel dat er een dooreenmenging is te bespeuren van tevredenheid met het gewone en zeer verstrekkende idealen. Zoo wordt er, wat dit laatste betreft, voordurend over gemeenschap en over volledige ontplooiing der menschelijke persoonlijkheid gesproken en de schrijvers schijnen de stad, de goede stad, de meest gunstige plaats voor het bereiken van die idealen te achten. Het komt mij voor dat zij. voorzoover zij hun idealen op een hoog plan houden, gevaar loopen de mogelijkheden en werkelijkheden van de stad als levensvorm te overschatten.

Een kleine uitweiding moet hier tusschen gevoegd worden over het begrip gemeenschap, dat, naar ik reeds terloops uitkomen, gemakkelijk aanleiding geeft tot vaagheden. Het kan, evenals een begrip als socialisme, gehanteerd wor-

den in allerlei graden van oppervlakkigheid en ernst. Dc mogelijkheid van verwarring ligt vooral hierin, dat met gemeenschap zoowel een bepaalde vorm van sociale werkelijkheid als een ideaal omtrent de verhoudingen tusschen menschen bedoeld kan worden. Als werkelijkheid beteekent gemeenschap dan een bestaande vorm van saamhoorigheid, van verbondenheid of verwantschap tusschen menschen. Hier zijn allerlei mogelijkheden aanwezig, varieerend van heel gewone samenhangen tot de diepere communicatie tusschen verwante geesten. De taal gebruikt hetzelfde woord voor zeer verschillende relaties als gemeenschap van goederen en gemeenschap van heiligen. Het is duidelijk, dat reeds in het denken over deze soorten werkelijkheid verschil van idealen een groote rol speelt. En als eigen factor komt het ideëele element naar voren wanneer bijv. gesproken wordt over streven naar ware gemeenschap of aankweeken van gemeenschapsgevoelens. Zooals het begrip gewoonlijk gebruikt wordt, ligt het zoowel in de sfeer van het zijnde als van het behoorende. En in beide beteekenissen kan het zeer verschillen in echtheid en in diepte. Wie bijv. zooals gaarne wordt gedaan, spreekt van Nederlandsche volksgemeenschap en dan het bestaande, het volk zooals het is, aanvaardt, acht alle sociale spanningen, klassen, afstanden en verschillen tusschen menschen, zij het aangevuld met wat saamhoorigheidsgevoel, blijkbaar niet als strijdig met de gemeenschapsgedachte. De bindingen, die er tusschen de leden van een volk bestaan inzake gemeenschappelijke taal, traditie, gewoonten, geschiedenis, zekere belangen, worden belangrijker gezien dan hetgeen hen scheidt. Hier is de gemeenschapsgedachte niet op onbelangrijke, maar wel op tamelijk oppervlakkige kenmerken betrokken. (Hierbij kan men nog buiten beschouwing laten het grovere feit, dat ideologieën van collectief-egoistischen aard zich al te gaarne van het begrip gemeenschap bedienen). lets soortgelijks is het geval wanneer men spreekt van stedelijke gemeenschap of wijkgemeenschap. Om het met andere woorden te zeggen: bij een uitdrukking als stedelijke gemeenschap kan men den nadruk leggen op stedelijké of op gemeenschap. men het eerste doet kan men met de bestaande collectiviteit genoegen nemen, zij het op wat beter peil gebracht in enkele opzichten. Legt men den nadruk op gemeenschap, en dan als ideaal, dan bedoelt men aanzienlijk meer. Het is niet slechts een kwestie van begrip, waarbij men met het bestaande tamelijk tevreden zijnde, bijv. in plaats van gemeenschap het minder impliceerende begrip samenleving zou kunnen gebruiken. Velen die zoo gemakkelijk over gemeenschap spreken, zouden deze vervanging inderdaad beter kunnen toepassen. Ik ben er echter van overtuigd, dat de samenstellers der studie-Bos het ernstiger meenen dan deze velenl en dat zij aan gemeenschap vergaande sociaaLethische verlangens en opvattingen omtrent waarde der persoonlijkheid verbinden. Maar dan rijst de vraag: overschatten zij de stad, ook de beter ingerichte stad, niet als levensvorm?

Het is niet mijn bedoeling om de stad, de groote stad, omgekeerd te onderschatten aan wat zij aan concentratie van cultuur, aan economische en allerlei andere functies, aan vrijheid voor den mensch tegenover de nadeelen der kleine ruimte vertegenwoordigt. Maar ik kan ook evenmin uit het oog verliezen, dat elke stad en dan vooral de groote en zeer groote stad haar noodzakelijke nadeelen voor het welzijn van de ziel heeft. Nadeelen die gedeeltelijk gecorrigeerd kunnen worden, doch die aan de opeenhooping van menschen zijn verbonden, waarbij gewoonten, denkwijzen, maatstaven van gedrag noodzakelijkerwijze naar het middelmatige of daar beneden tendeeren. Men kan de stad als noodzaak zien of als behoefte gevoelen of als gebruiksartikel hanteeren, zooals zeer velen doen, of men kan, op wat hooger plan van levenshouding, idealen van cultuur, van geestelijk en ethisch leven in haar willen verwerkelijken, doch zij is daarom nog niet het beste milieu voor den mensch. Waarmee al weer niet gezegd is, dat het bij onze bevolkingsdichtheid en bij de eischen, die onze beschaving aan welvaart en andere materi-